Sluis Knol
De Duitsers trekken via Sluis Knol en Reindersdijk richting Dalen.

Sluis Knol in het Stieltjeskanaal


Oorlog bij Sluis Knol.

Alidus Knol was dertien jaar oud, toen hij van school kwam. Hij was opgegroeid in het huis bij Sluis I aan het Stieltjeskanaal, waar zijn vader als sins 1914 sluiswachter was. Omdat vader Knol hier al zo lang werkte, werd de sluis altijd Sluis Knol genoemd. Alidus moest na schooltijd maar meteen aan 't werk, want er waren zeven kinderen thuis en er moest dus geld verdiend worden.

't Was 1938. Hij kwam terecht bij een boer in de buurt en verdiende daar f 2.50 per week. Als de aardappels van het land moesten, kon hij nog meer verdienen. Dan gaf de boer f 45,00 voor "het krabben" van een hectare. Op de knieen en met de schop werden de aardappelplanten een voor een gerooid en als Alidus hard werkte, kon hij per dag drie roe (drie are) boven de grond krijgen. Voor n roe kreeg hij dan f 0,45; dat was per dag dus f 1,35 en per week (zes dagen!) f 8,10.

De boer was N.S.B-er, maar wel een van de goedmoedige soort. Alidus mocht hem graag plagen door af en toe te roepen "Oranje boven en de poepen (Duitsers!) d'r onder!". De boer lachte dan maar wat om die kwajongen. 't Werd anders, toen in 1939 de oorlog tussen Duitsland, Engeland en Frankrijk uitbrak en er af en toe soms groepen vliegtuigen hoog overvlogen. Dan zei de boer uitdagend tegen Alidus:"Daor komt de oenzen weer an!". Daarmee de Duitsers bedoelend. Alidus, niet op zijn mondje gevallen, antwoordde dan steevast:"Nee, dat bent de oenzen!". Waarmee hij de Nederlandse oorlogsvliegtuigen bedoelde. 't Waren maar onschuldige plagerijtjes tussen de boer en arbeider en geen van beiden meenden ze 't ernstig. Dat zou echter plotseling veranderen!

's Morgens om half zes, op vrijdag de tiende mei 1940, kom over de weg aan de andere kant van het kanaal grauwe soldaten te paard aanrijden. Plompe helmen op het hoofd, het geweer voor de borst. De bewoners van de brugwachterswoning zijn allang wakker. Het gedreun van overvliegende bommenwerpers en de harde knallen van de in de lucht vliegende bruggen in de omgeving hebben iedereen gewekt. Bij Sluis Knol is ook springstof onder de brug aangebracht; er komen echter geen Nederlandse soldaten om haar te vernielen. De brug bij Sluis Knol wordt vergeten!

Alidus en zijn vader hebben toch nog gauw even de koeien gemolken en als ze klaar zijn, zijn dochter Tine met haar man en twee kinderen bij de sluis aangekomen. Ze zijn uit Coevorden komen lopen, want daar dreigt het meeste gevaar.

"De Duutsers komt'r an!", roept vader Knol en ja hoor, daar komen ze. Juist hier, recht op de brug aan. De paardehoeven bonken op het brugdek, de ruiters stijgen af en vragen op hoge toon water. Ze drenken de paarden uit de regenput en lopen vol machtsvertoon het huis binnen om zelf ook te drinken. Vader Knol ziet het aan en maakt zich kwaad. Maar hij zegt niets. De jonge Alidus koestert dezelfde gevoelens. Woede, haat tegen die brute vijanden, die zo maar het huis binnenstampen op hun zware laarzen. Die gevoelens zullen ze nooit meer vergeten.

De Duitsers trekken verder, over de Reindersdijk, richting Dalen. Er zijn ook enkele karren met paarden bij en daarna daveren er nog motorrijders en enkele kleine vrachtwagens over de brug. Dan wordt het weer stil bij Sluis Knol. De oorlog is begonnen voor Alidus!

Hij wil eigenlijk niet meer terug naar zijn N.S.B.boer;die hoort nu bij de vijand. Maar omdat er geld verdiend moet worden, gaat hij er toch maar een paar dagen heen. Daarna kan hij scheepsjager worden. Vader heeft een paard voor hem gekocht, waarmee hij schepen door de kanalen kan trekken.

Een prachtig vrij en zwervend bestaan wordt het. Alidus doet zijn werk goed en hij krijgt vaste klanten onder de schippers, die op hem rekenen en die altijd een beroep op hem kunnen doen. Vaak vertrekt hij al om drie uur 's morgens met zijn paard om zo'n vaste schipper op te halen in Zwartemeer. Om acht uur is hij daar dan, maakt het turfschip vast en komt om zeven uur 's avonds weer bij Sluis Knol aan.

Na het schutten trekt hij het schip nog naar Coevorden en gaat dan naar huis. 's Nachts boomt de schipper zijn vaartuig zelf om de stad heen en de volgende morgen om zes uur is Alidus alweer present om het schip naar Vriezenveense wijk in Overijssel te brengen. In die twee dagen verdient hij dertig gulden. Dat is nog eens wat! Als hij geluk heeft, kan hij nog een leeg turfschip mee terugnemen. Naar Zwartemeer!

Bij Sluis Knol blijft het rustig die eerste oorlogsjaren. Op een nachter echter kladderen N.S.B.-ers de brug vol met hakenkruizen (het Duitse oorlogssymbool). Alidus, zijn broer Jan en een paar buurjongens schilderen daar de volgende dag overheen:"Oranje zal bloeien en nooit vergaan. Leve de Koningin!". Een N.S.B.er waarschuwt de politie, want de koningin en het woord Oranje mogen in bezet Nederland niet meer genoemd worden. De commandant van de marechaussee in Coevorden komt persoonlijk kijken. Hij heeft zelf ook een hekel aan N.S.B.ers en Duitsers en zegt:"Prachtig,prachtig!". En daarna:"Maar je moet 't maar niet meer doen!". Jan en Alidus maken de brug weer schoon en verwijderen de hakenkruizen.

Jan wordt sluiswachter in de plaats van zijn vader, want dan hoeft hij niet naar Duitsland. De Duitsers roepen alle jongemannen op om daar in de fabrieken te gaan werken. Alidus, die in januari 1944 negentien jaar wordt, krijgt ook een oproep. Hij wil niet. "'k heb d'r geen land liggen, 'k ga d'r niet hen!", besluit hij in stilte. Om drie uur 's middags moet hij met de trein vanuit Coevorden naar Hamburg met bestemming "Nordmark, station Hamburg" vertrekken. Om n uur vertrekt hij al, een koffertje met kleren achterop de fiets. Een meisje uit de buurt, dochter van een N.S.B.er, is bij het vertrek van de opgeroepen jongens aanwezig, want ze vindt, dat ze belangrijk werk in Duitsland gaan doen. Ze mist Alidus en meldt de Landwacht (gewapende N.S.B.ers) dat hij niet meegegaan is. Diezelfde avond wordt er bij de familie Knol huiszoeking gedaan, maar Alidus wordt niet gevonden. Hij is ondergedoken!

Hij is in n ruk naar Dedemsvaart gefietst, waar zijn zuster en haar man met hun schip op de scheepswerf liggen. Hier blijft hij aan boord, tot het echtpaar vertrekt en dan gaat hij naar een boer in Dedemsvaart, waar hij als knecht kan gaan werken. Dat gaat heel goed, tot op een nacht de boer alarm slaat en schreeuwt:"D'r uut! D'r komt landwacht an!". Alidus schiet een overall aan en rent naar buiten, het land op, waar met loof toegedekte aardappelbulten staan. Hij kruipt onder het loof en blijft stil liggen. De landwachters zoeken urenlang, maar vinden hem niet. 's Morgens vroeg komt hij totaal verkleumd weer op de boerderij terug. De boer is doodsbang en niet zonder reden. Alidus' aanwezigheid is verraden en een paar nachten later is er weer een overval. Alidus kan zich nu redden door zich tussen het wasgoed op de zolder te verstoppen.

Hij besluit nu niet langer te blijven en fietst naar zijn ouders terug. Wel wat erg overmoedig, maar een kat in het nauw maakt soms rare sprongen. Hij kan hier natuurlijk ook niet blijven en gaat daarom de volgende dag al weer naar De Krim. Via Hoogeveen komt hij nu samen met nog enkele andere onderduikers terecht bij een boerenechtpaar met n zoon in Nieuw-Balinge. 't Is maar een kleine keuterboer, maar wel een heel moedige. Er zijn ook nog twee Joodse kinderen ondergebracht en de verzetsgroep van het dorp komt er vaak bijeen. Soms zitter er wel dertien mensen tegelijk te eten. De verzetsmensen hebben overal wapens verstopt en Alidus slaapt met handgranaten onder zijn kussen. De groep overvalt in Duitse uniformen de gevangenis in Assen en bevrijdt daar door de Duitsers gearresteerde gevangenen. En lid van de groep wordt daarbij doodgeschoten. Alidus en de andere onderduikers helpen zoveel ze kunnen. Ze maken wapens schoon en nemen deel aan "droppings", waarbij midden in de nacht door geallieerde vliegtuigen wapens uitgeworpen worden. Met lantaarns in een grote king staand, geven ze dan het afwerpterrein aan.

Al in de tweede nacht van zijn verblijf hier is er alarm. "D'r uut, d'r komt auto met landwacht!", roept Albert Lowijs, de boer. Iedereen stormt de boerderij uit en onderduikers, verzetsmensen en de kinderen duiken in een droge sloot. Er is gelukkig niets aan de hand; de auto blijkt een wagen met kunstmest te zijn.

Maar 't gaat niet altijd zo voorspoedig. Als Duitsers en landwachters een een "razzia", een klopjacht, in de hele omgeving houden, bivakkeren ze allemaal in een bos. Elke dag brengt Albert Lowijs eten. Als de kust weer veilig is, gaan ze terug naar de boerderij en Albert fietst naar Sluis Knol om te zeggen, dat alles goed gegaan is. Berichten over razzia's worden ook in de kranten vermeld en Alidus'ouders zijn dus op de hoogte van het gevaar, waarin hij verkeert.

Er gebeurt ook nog een ongeluk. Alidus en een mede-onderduiker spelen op een dag met wat wapens zonder dat ze beseffen dat er n geladen is. Er gaat een schot af en Alidus krijgt een kogel door zijn been. Gelukkig niet door het bot, "Maar 't bloed loopt hem in de klompen!". hij kan natuurlijk niet naar een dokter en met eindeloos geduld wordt de vleeswond op de boerderij verzorgd. Gelukkig geneest Alidus weer.

Bij Sluis Knol wordt het leven inmiddels ook steeds spannender. Doordat Engelse en Amerikaanse vliegtuigen de Duitse verjaagd hebben, houden ze elke dag vluchten boven Nederlands bezet gebied en schieten op elk varend schip. Zo'n schip kan immers ook belangrijke goederen voor de Duitsers vervoeren! Daarom wordt er uitsluitend 's nachts gevaren en dus ook 's nachts geschut. Bij Sluis Knol gebeurt er van alles. Er wordt turf geruild tegen spek en rogge, korven vlees gaan de ruimen in en "bergen" turf veranderen van eigenaar. Sommige schippers komen met een halve lading aan. De rest is overboord geraakt, verklaren ze. Veel van de zo verkregen levensmiddelen worden zwart, voor veel te hoge prijzen, verkocht.

Tot begin april blijft Alidus in Nieuw-Balinge. Als hij hoort dat Coevorden bevrijd is, wil hij naar huis, maar Albert Lowijs vindt, dat hij toch nog even moet blijven."Wij hebt nog een zwien van driehonderd pond en dat mut je nog even helpen slachten!", beslist hij. Een varken slachten in de schuur is verboden en dus moet het stil gebeuren.Met een stok en een touw wordt het zwien de keel dichtgedraaid en dan steekt Albert toe. Zo kan 't arme dier geen lawaai maken. Teruggekomen bij Sluis Knol blijkt de brug in de lucht gevlogen te zijn. Vluchtende Duitsers op gestolen fietsen hebben haar op 5 april tijdens hun terugtocht vernield. De familie heeft bijtijds het sluiswachtershuis kunnen verlaten, maar de woning is ernstig beschadigd. De stukken ijzer zijn tot ver in de omtrek terechtgekomen. Alidus gaat naar het inmiddels bevrijde Coevorden, maar kan dan niet meer terug. Dalen is nog niet vrij en de B.S.(Binnenlandse Strijdkrachten-burgermilitairen) laten niemand door. Alidus sluit zich bij hen aan en krijgt een pistool als wapen. De B.S. gaat N.S.B.ers arresteren, die in een pand in Coevorden opgesloten worden. Enkele gevangenen dragen klompen, die ze bij het betreden van hun nieuwe onderkomen netjes voor de deur zetten. Een Coevordenaar komt langs, ziet de klompen staan en kiest het beste paar uit."Die komt toch niet terug, die past mij wel!", zegt hij, terwijl hij het aantrekt en zijn eigen afgesleten paar voor terug zet.Op 9 april worden de laatste Duitsers bij de Oosterhesselse brug verjaagd en Dalen is vrij. Samen met andere B.S.ers gaat Alidus de N.S.B.ers van Stieltjeskanaal arresteren.

Verscheidene van hen zijn op hun beurt nu ondergedoken en verschuilen zich in de buurt van de Katshaar. Als de B.S.ers in de lucht schieten, komen ze met de handen omhoog tevoorschijn. Ze worden afgemarcheerd naar Dalen en paar dagen later gaan ze te voet naar Zweeloo en vandaar naar het voormalige Joodse gevangenenkamp in Westerbork.

Langzaam herneemt het gewone leven zijn loop bij Sluis Knol. Er worden weer schepen geschut, maar 't duurt nog heel lang voordat de brug hersteld is. Alleen voetgangers kunnen via enkele planken, die over de sluisdeuren gelegd worden, passeren. Een komt er een boer, die met 't zwien naar "de beer" (een mannetjesvarken) wil. Als hij echter al midden op de planken is, maakt het varken een onverhoedse beweging en valt in 't water, net buiten de sluisdeur. De omloop, de onderaardse buis, die om de sluis heenloopt, staat open. Door de hierdoor ontstane stroming wordt het zwien de buis ingezogen en komt er wonder boven wonder aan de andere kant weer levend uit. Zo wordt 't beest toch nog gered, "Maar 't beren was over!"aldus Alidus van Sluis Knol.


Last update: 17-08-2007 by www.herdenking.nl