N.S.B.ers
De behandeling was vaak heel slecht.



Voor hun huwelijk bezochten Lenie en Jan trouw de landdagen van Landbouw en Maatschappij. Dat was niets bijzonders, want in de gemeente Dalen waren veel inwoners lid van deze organisatie en die waren dus ook vaak aanwezig. Landbouw en Maatschappij was bovendien zeer oranjegezind en de landdagen werden dan ook altijd opgeluisterd met het zingen van het Wilhelmus. Toen Jan en Lenie in 1936 trouwden, gingen ze niet meer naar de landdagen.

'T was crisistijd en ze moesten op de boerderij alle zeilen bijzetten om het hoofd boven water te houden. Er werden al snel kinderen geboren. Langzamerhand kwam het gezin tot grotere welstand en dat was te danken aan het feit, dat Jan zich ging toeleggen op de varkensfokkerij. Hij had uitsluitend stamboekzeugen, waarvan per worp steeds enkele biggen gekeurd werden door een selectiemesterij. Als de dieren aan de strenge normen voldede, werd de zeug bevorderd tot sterzeug. De nakomelingen van zo'n "bekroond" varken brachten een betere prijs op; soms wel twintig gulden!

In 1939 werd Jan opgeroepen voor de militaire dienst en gelegerd in het westen, aan de kust. Lenie kon het bedrijf niet alleen voortzetten en trok met de kinderen bij haar ouders in. Ze kreeg een kostwinnersvergoeding van de gemeente. Toen Jan ontdekte, dat anderen in dezelfde omstandigheden een hogere uitkering kregen, stapte hij verontwaardigd naar burgemeester Ten Holte. Op hoge toon eiste hij alsnog aanvulling van de vergoeding aan zijn vrouw."Anders breng ik mijn militaire spullen naar het gemeentehuis!", dreigde hij. De burgemeester zwichtte en verhoogde het bedrag.

Jan leerde in zijn garnizoensplaats een familie kennen, war hij dikwijls op bezoek ging. De verhouding werd zo hartelijk, dat "Opoe" in het westen truitjes breide voor de kinderen in het oosten. Lenie stuurde haar dan restjes wol.

Toen de spannende oorlogsdagen in mei voorbij waren, liet Jan niets van zich horen. Telefoneren was onmogelijk en Lenie maakte zich erg ongerust. Ze stuurde een brief naar de kennissen van Jan en een zoon uit het gezin ging eens naar de barakken, waarin de Nederlandse soldaten verbleven. Via hem hoorde Lenie dat Jan niets overkomen was, maar dat hij moest wachten, tot hij uit het leger ontslagen zou worden. Op een avond werd er bij haar ouders aan het raam getikt en daar stond Jan. Met een trein vol "jongens" was hij naar huis gestuurd. De volgende morgen ging het gezin weer terug naar de eigen boerderij.

Lenie en Jan hielden zich de komende jaren angstvallig buiten de politiek. Je moest je nergens mee bemoeien; dat leek hen het beste en dat vonden ook de meeste Dalenaars. Ze hadden bovendien genoeg aan de zorgen van elke dag. Om genoeg brood voor het groeiende gezin te hebben, werd er zelf roggemeel gebuild (gezeefd). Dat werd dan persoonlijk naar de bakker gebracht. De extra toewijzingen voor bijvoorbeeld kaas en snoep, die de kinderen kregen, werden vaak verruild voor andere zaken, die dringend nodig waren. Gelukkig waren er ook mensen, die het gezin hielpen. Zo was er een klompenmaker, die aanbood het hele gezin van klompen te voorzien, waardoor ze allemaal met warme voeten de oorlog door kwamen. Turf was er genoeg en brandstofbonnen hadden ze dus niet nodig. Die stuurden ze naar de kennissen in het westen, die ze goed konden gebruiken.

Begin 1944 kwamen er problemen met de kinderen. Ze waren vaak ziek en gaven veel extra zorg. In oktober van dat jaar werd Jan opgeroepen voor de Todt, maar hij wilde zijn vrouw en kinderen niet in de steek laten. Een N.S.B.er uit de buurt raadde hem aan zich bij hen aan te sluiten. Dan zou hij een "Ausweis", een vrijstelling krijgen. Jan meldde zich aan als lid van de N.S.B. en inderdaad, hij hoefde niet weg.

Dat lidmaatschap stond Lenie niets aan en ze hield zich dan ook helemaal afzijdig. Gelukkig hoefde Jan niet deel te nemen aan N.S.B. aktiviteiten. Hij moest alleen regelmatig 's avonds in Dalen "Spijkerwacht" lopen. Kijken of er spijkers of andere scherpe voorwerpen door het verzet op straat waren gegooid!

Jan werd nooit van harte lid van de N.S.B. en eigenlijk had hij een hekel aan de Duitsers. Toen er eens een Duitse soldaat bij hem aanklopte om boter te kopen, werd hij met een smoes afgescheept. "Probeer het maar ergens anders te kopen. Wij hebben geen boter!", snauwde Jan."Ja, we zullen ze ook nog gaan vetmesten!", mopperde hij daarna.

Aan paardenvordering ontkwam hij ondanks zijn lidmaatschap niet. Toen men zijn trouwe viervoeter kwam halen, zei Jan:"Haal hem dan zelf maar uit de stal!".Hij wist, dat het die voor vreemde bijzonder bokkig kon zijn en inderdaad, de inbeslagnemers konder er niet mee overweg. Het paard werd afgekeurd en mocht dus blijven!

Toen direct na de oorlog alle N.S.B.ers werden gearresteerd, werd Jan niet opgehaald. Zijn lidmaatschap was vrijwel onbekend gebleven, want hij had er nooit over gesproken, laat staan iets verkeerds gedaan. Twee dagen later kwam de B.S. (Binnenlandse Strijdkrachten) hem toch halen. Zijn voormalige politieke vrienden hadden kennelijk doorgegeven, dat hij ook lid was. Jan werd eerst opgesloten in de grote zaal van hotel Cornelis en vervolgens naar kamp Westerbork gebracht. Hier kregen hij en zijn medegevangenen het zwaar te verduren. De behandeling was vaak heel slecht. Veel lichte gevallen werden echter al snel vrijgelaten, als ze een lijst met personen konden overleggen, die voor hun vrijlating pleitten. Ondanks het feit, dat Jan met behulp van den advocaat ook een dergelijke lijst kon tonen, bleef hij gevangen.

Het leven was hard in het kamp en er moest stevig gewerkt worden. Het eten was slecht en de gevangen vermagerden sterk. Er werd vaak buiten het kamp op het land gewerkt en soms werden er via bekenden familieleden gewaarschuwd om wat voedsel te brengen. Dat was streng verboden en 't gebeurde dus zo onopvallend mogelijk. Er waren bewakers, die de gaven bij de ingang van het kamp toch weer afpakten. Anderen hadden medelijden en zeiden niets. Deze bewakers raadden de gevangenen ook aan wortels van het veld te halen en die op te eten. Jan wilde daar echter nooit iets van weten. "Ik heb van mijn leven nog nooit gestolen en dat doe ik nou ook niet!", zei hij altijd. Verlof kregen de gevangenen alleen als er sprake van ernstige ziekte thuis. Ze kwamen dan echter onder toezicht van een bewaker, die er scherp op lette, dat de toegestane tijd niet werd overschreden. 'T waren op die manier vernederende ervaringen. Toen Jan gearresteerd werd, was Lenie in verwachting en toen het kind geboren werd, kreeg hij geen verlof. Hij zou het pas zien, toen hij voorgoed thuiskwam. Dat gebeurde na een jaar gevangenschap. Vermagerd, maar gezond kon hij weer aan het werk om zijn boerderij opnieuw te laten floreren. Er was een periode afgesloten; er braken betere tijden aan.


Last update: 13-09-2007 by www.herdenking.nl