Mulder en bakker.
Veel bakkers in de omgeving waren aangewezen op de leveranties van mulder Snijders.



Gerrit Snijders was de zoon van "Mulder Mans" in Wachtum en voorbestemd om zijn vader op te volgen. Van jongsaf was hij in de molen te vinden en zo leerde hij haast spelenderwijs het vak. In de crisisjaren werd er in de molen rogge voor menselijke consumptie ongeschikt gemaakt door ze rood te kleuren. Dit gebeurde een keer per week onder toezicht van een ambtenaar. De boeren kregen voor hun bewerkte rogge een minimumprijs en de molenaar een tegemoetkoming voor zijn extra werkzaamheden. De gekleurde rogge werd na afloop meegenomen en aan het vee opgevoerd. Tijdens de bezetting werd het kleuren direct afgeschaft, omdat de uitvoer naar Duitsland sterk steeg. Hoe langer de oorlog duurde, hoe meer Duitser gingen afnemen. En tenslotte namen ze alles!

Gerrit was gedurende de mobilisatietijd militair in Arnhem, maar hij kwam voor het uitbreken van de oorlog al naar huis. Dankzij de bemiddeling van een invloedrijke oom was hij onmisbaar voor het bedrijf van zijn vader verklaard. Hierdoor zag hij zijn eerste Duitsers vanachter het huiskamerraam in Wachtum, toen er op de tiende mei een afdeling ruiters met getrokken revolver door het dorp reed.

De molen maalde behalve graan ook olie en tijdens de bezetting mochter er alleen van te voren vastgestelde hoeveelheden verwerkt worden. Wat meer werd gemalen, moest aan de Duitsers worden geleverd. Om boeren en burgers te helpen, maalde Gerrit wel eens stiekem extra. Hij gebruikte dan een kleine handmolen. Op een zondag was hij weer eens, met de deuren op slot, bezig, toen plotseling de Groenen met een herdershond op het erf verschenen. Snel dekte Gerrit het molentje met jutezakken af, terwijl de overvallers al met de deur rammelden. Toen hij eindelijk opendeed, werd hem ongeduldig gevraagd, wat hij hier eigenlijk uitvoerde. "De boel wat aanvegen!", antwoordde Gerrit lakoniek. "Dat doen wij altijd op zondag!".

De Duitsers schonken gelukkig geen aandacht aan de jutezakken, maar ze bleken wel goed op de hoogte met de bezittingen van de mulder. Ze wilden weten, waar de vrachtauto was en vroegen naar opgeslagen vaten benzine. De auto was inmiddels gesloopt en de vaten waren leeg, verklaarde Gerrit. Dat laatste geloofden ze niet, omdat ze niet in beweging te krijgen waren. Dat kon ook niet anders, want de vaten stonden stijf bevroren buiten. Toen Gerrit er een paar schoppen tegen gaf, werd het hen toch wel duidelijk. Ook toen klonken holle vaten het hardst!

De Goenen eisten daarna tarwe en olie, maar Gerrit zei, dat hij daar nog maar weinig van had. Ongezeefd natuurlijk! Dat wilden de heren niet. Gerrit zei echter, dat hij het veel te druk had om ook nog te gaan zeven. Ze moesten het dan zelf maar doen! Aldus geschiedde. De Groenen, behoorlijk gekalmeerd, wilden zelfs betalen, maar dat hoefde niet, vond Gerrit. Voortaan liet hij elke veertien dagen wat olie en meel naar "De Vondel" brengen, waardoor ze van verdere huiszoekingen verschoond bleven.

Omdat er geen benzine meer was, ging de tram weer rijden. Natuurlijk ook door Wachtum en de bekende machinist Geert Sliekers stopte ook nog al eens bij de molen om meel mee te nemen. Datzelfde deed hij ook wel bij bepaalde boeren, waar hij melk kreeg.

Veel bakkers in de omgeving waren aangewezen op de leveranties van mulder Snijders. Hij verzorgde namelijk via de Centrale Handelsmaatschappij in Coevorden de meelvoorziening. Gerrit's broer Jan ging wekelijks met een wagen met twee paardjes op stap om de bakkers te bevoorraden. Voor alle zekerheid zette hij er een witte vlag op. Eerst reed hij naar bakker Karst in Zwinderen, dan naar Huizing en Bos in Gees en vervolgens naar Oosterhesselen, Zweeloo, Schoonoord, Noord-Sleen en Erm.

Dat was vaak zwaar werk. Veel bakkers wilden hun meel op zolder opslaan en dat kwam dan vaak neer op honderdvijftig keer de trappen op en neer op een dag.Natuurlijk betrok ook bakker Jan Eising uit Wachtum zijn meel bij Snijders. Hij maalde zelf ook olie, die hij dan ruilde voor meel. Zo kon hij weer meer brood bakken. Dat kostte dan weer meer turf, die noodgedwongen wel eens "zwart" (zonder vergunning) gekocht moest worden. De brandstof voor de bakkerij was namelijk beperkt tot een toegewezen hoeveelheid.

Jan Eising had de oorlogsdagen wel als militair meegemaakt. In Breukelen, waar niet gevochten werd en hij keerde dan ook al op 25 mei behouden in Dalen terug. Twee maanden later trouwde hij zijn Tine en samen begonnen ze aan een nieuw bestaan in de bakkerij en de winkel.

De oorlogsomstandigheden veroorzaakten al snel moeilijkheden. Alle toeleveringen werden gehalveerd en veel artikelen kwamen op de bon. Jan en Tine gingen samenwerken met Jan Otterman (Zie hoofdstuk 28), die bij het distributiekantoor werkte. Jan bracht de op kantoor overgebleven bonnen naar de Eising's waar ze met de klanten ontvangen bonnen op lege distributiekaarten geplaket werden. Vaak ging het om grote hoeveelheden, zodat de kamer vol lag met formulieren. "Geert van de Smid" en Jan Otterman zelf hielpen het echtpaar met het plakken. In het diepste geheim natuurlijk, want overgebleven bonnen moesten ingeleverd worden. Jan Otterman nam de volgeplakte kaarten weer mee en het distributiekantoor kreeg hiervoor een extra hoeveelheid nieuwe bonnen, die verdeeld werden onder de onderduikadressen. Een ingewikkelde gang van zaken, maar Jan wilde beslist niet, dat zijn collega's op de een of andere manier in gevaar zouden komen. Natuurlijk zorgde hij ervoor, dat Jan en Tine voor hun hulp ook extra bonnen kregen, waarmee ze dan hun gehalveerde voorraad weer enigszins konden aanvullen.

De Eising's kregen ook enige tijd inkwartiering van twee Duitse soldaten, een bakker en een timmerman. Ze waren alle twee verplicht in militaire dienst en vertelden het helemaal niet met Hitler eens te zijn. Ze waren echter zo bang, ook voor elkaar, dat ze het alleen maar durfden te zeggen, als ze elk alleen waren. Later, toen ze eens met verlof thuis waren, stuurden ze zelfs nog een berichtje naar Jan en Tine.

Als de meistaking uitbreekt, wordt ook in Wachtum het verhaal verspreid, dat alle mannen opgepakt zullen worden. Ook hier breekt paniek uit en veel mannen verschuilen zich tussen de rogge en het koolzaad op de akkers. Jan woont een bakkersvergadering bij en Tine, die in verwachting is, weet zich geen raad.

Ze fietst naar haar ouders in Dalen en haar vader waarschuwt Jan. Hij gaat samen met Tine weer naar huis, maar weigert zich ook te verbergen. "Ik kan jou toch niet alleen laten?", is zijn bezorgde reactie, als zijn vrouw hierop aandringt. Gelukkig blijkt na enige tijd, dat er niets aan de hand is, maar een aantal Wachtumers heeft benauwde uren doorgebracht.

Na de slag om Arnhem (september 1944) wordt een groot deel van de verwoeste stad geevacueerd. De vluchtelingen trekken naar het noorden en Jan en Tine bezorgen een van hen werk. Hij helpt in de bakkerij. Er komen in de hongerwinter ook etenhalers aan de deur. Ze vragen in de winkel om brood en Tine kan het niet over haar hart verkrijgen om ze zomaar weg te sturen. Elk krijgt dus een broodje.

Tegen het einde van de oorlog worden de mannen in Wachtum verplicht "Spijkerwacht" te lopen. Het verzet treedt steeds openlijker op en strooit regelmatig "kraaiepoten" op de wegen om het de terugtrekkende Duitsers zo lastig mogelijk te maken. Gerrit Snijders, die ook bij de spijkerwacht is ingedeeld, vindt echter nooit iets!

Als op 7 april 1945 (Coevorden is dan al bevrijd) een Belgische patrouille op weg is naar de Oosterhesselerbrug, wordt ze beschoten door een Duitse mitrailleurpost bij het oude tolhuis van Egbert Smits. Dat stond bij de afsplitsing van de Rieweg. De Belgen met hun zwaarbewapende jeeps, die juist de Valsteeg passeren, beantwoorden het vuur en leggen de mitrailleurschutters het zwijgen op.

Een voorgoed; een ander wordt met een verband om zijn hoofd afgevoerd. Twee dagen later wordt Wachtum bevrijd; de opbouw kan beginnen.



Last update: 01-01-2008 by www.herdenking.nl