Een krijgsgevangene vindt hulp
Hij toonde zich erg dankbaar.


Hans Brakel

Voor zover ik me herinner was het in het voorjaar van 1943, dat mijn vader 's morgens vroeg - het was zondag - binnenkwam en zei, dat er buiten een vreemde snuiter stond, die hij niet kon verstaan. Of ik eens wilde proberen er iets van te begrijpen. Na wat vragen bleek dat hij Frans sprak en een of twee dagen tevoren was ontvlucht uit een Duits krijgsgevangenkamp, niet ver over de grens. Met behulp van de atlas heb ik hem uitgelegd, waar hij was en hoe hij verder zou moeten om Frankrijk te bereiken.

Ik heb hem echter duidelijk gemaakt, dat zijn onderneming niet veel kans van slagen had, want hij was nog gekleed in zijn Franse legeruniform en viel direct op, zeker overdag. Ik stelde hem voor te proberen hem over te dragen aan de ondergrondse, die hem van burgerkleren zou kunnen voorzien en voor verder transport zou zorgen.

Omdat wij die zondag nog bezoek verwachtten, zei ik hem, dat hij zich voorlopig in een bosje in de buurt schuil zou moeten houden. We hebben hem eerst wat te eten gegeven en toen is hij direct naar het bosje gegaan. Hier werd hij echter ontdekt door Jan Vrieling, die direct daarop naar ons toekwam om te vertellen, dat hij de Fransman gezien had. Op zijn vraag wat te doen, heb ik hem de zaak uitgelegd en hem gevraagd met niemand over het geval te praten. Dat heeft hij ook niet gedaan natuurlijk.

Ondertussen was ik op de fiets naar Nieuw-Zwinderen gegaan om het transport te regelen. Dat zou 's avonds plaats vinden. Daarna ging ik naar het bosje om de vluchteling te vertellen, wat ik voor hem afgesproken had, maar hij was verdwenen. Zoals hij later vertelde, was hij na de ontdekking door Jan Vrieling bang geworden en weer gaan lopen. Gelukkig niet ver, zoals al spoedig bleek. Inmiddels had ik de regeling voor het transport afgezegd.

Op maandagmorgen ging ik weer gewoon naar mijn werk bij de P.B.H., Willem Caspers. Even later vroeg deze mij even mee te komen naar de huiskamer voor een bijzonder geval. Daar zat Albert Kreggemeijer van de Eldijk, die mij een verhaal vertelde over een vreemdeling in uniform, die ze niet konden verstaan.

Hij was de vorige avond bij hen gekomen en ze hadden hem onderdak voor de nacht gegeven in de aardappelkelder op het erf. Zodoende zou het net lijken of hij daar zonder hulp in gekropen was. Want dat de Duitsers of de N.S.B.ers hier niets van mochten weten, was hen wel duidelijk.

Uit de beschrijving van Albert bleek me al snel, dat het hier de Franse krijgsgevangene van de vorige dag betrof. Ik heb weer contact gezocht met de ondergrondse in Nieuw-Zwinderen en afgesproken, dat ze hem 's avonds in het donker zouden halen. Ze zouden burgerkleren en een fiets meenemen.

Enige tijd voor het afgesproken tijdstip zijn Lien Caspers, haar verloofde Harry Veurink en ik naar de Eldijk gegaan om de vluchteling van een en ander op de hoogte te stellen en afscheid te nemen. Het was onvermijdelijk de familie Caspers in het "complot" te betrekken, maar de rest van de kantoorbezetting heeft er nooit iets van gemerkt.

Tijdens ons laatste gesprek vertelde de vluchteling, dat hij Louis Llucia heette en dat zijn vader kolonel in Oran (Algerije) was. Na de oorlog zou hij graag met mij in contact willen komen. Ik heb hem natuurlijk mijn adres niet gegeven en ook dat van de anderen wist hij niet. Hij toonde zich er dankbaar voor alles wat de familie Kreggemeijer en wij voor hem hadden gedaan. Toen kwamen er twee mannen van de ondergrondse met een extra fiets en kleren. De broek bleek veel te lang en dus hebben we de pijpen omgeslagen. Gelukkig kon hij redelijk goed fietsen en zo is hij vertrokken.

Na de oorlog heb ik enige malen bij het Franse Rode Kruis geinformeerd naar een krijgsgevangene met de opgegeven naam, maar ik heb geen reactie gehad. De mannen van de ondergrondse heb ik niet meer gezien, dus waar ze hem naar toe gebracht hebben en wat er verder met hem is gebeurd, weet ik niet.



Last update: 30-09-2007 by www.herdenking.nl