Een Joods meisje ontsnapt.
Alle dorpsbewoners, ook de N.S.B.ers, gingen gewoon met de Zilverbergs om.



Suze Zilverberg was de dochter van de Daler huisschilder Hartog Zilverberg en zijn vrouw Suzanna ten Brink. Het gezin, dat twee dochters en een zoon telde, woonde in de Westerwijk. Suze werd geboren in 1921 en ging in Dalen naar de lagere school. Daarna bezocht ze de Vakschool in Coevorden.

Het gezin Zilverberg was een van de vijf Joodse families, die voor de oorlog in Dalen woonden. In tegenstelling tot de andere drie gezinnen Bierman en het gezin ten Brink, waren de Zilverbergs geen vrome Joden. De sabbatsheiliging werd niet of nauwelijks in acht genomen en de synagoge in Coevorden werd zelden bezocht. Wel werden Joodse feestdagen gevierd en kwam Rabbi David Krammer regelmatig over de vloer om de kinderen les te gev in de Hebreeuwse taal en in de gewoonten van de eredienst. Suze stak daar overigens weinig van op.

Vader Hartog Zilverberg was een man van aanzien in Dalen. Hij bezat een goed lopend bedrijf, was lid van de handelsvereniging en hij stond met verschillende Daler notabelen, waaronder ook burgemeester Ten Holte, op vriendschappelijke voet. Het gezin was volledig opgenomen in de Daler samenleving en van enige discriminatie, in welke vorm dan ook, was geen sprake. Suze was lid van een toneelvereniging en ging, toen ze wat ouder was, gezellig met andere jongeren uit Dalen dansen.

Op de vakschool voelde ze zich thuis. Ze had er een "sloot vriendinnen", waar ze heel plezierig mee omging en dat de eveneens Joodse Meta Krammer haar hartsvriendin werd, had niets met lotsverbondenheid te maken. De oorlogsgebeurtenissen en de schandelijke behandeling van de Duitse Joden gingen volledig aan haar voorbij. Ze stond er niet bij stil; ze genoot van haar jeugd.

In 1938 ging Suze van school en ze kreeg een betrekking in de manufacturenzaak van de naamgenoot van haar vader, Hartog Zilverberg, in Coevorden. Een bijzonder mens; fractieleider van de S.D.A.P. en van 1927 tot 1931 wethouder. Bovendien een bekend dirigent van muziekgezelschappen en o.a. oprichter van "Volharding" in Dalen. Hoewel eveneens van "Joodsen bloede" bestond er tussen de beide Hartog's geen directe verwantschap.

Na de Duitse inval veranderde er aanvankelijk weinig in het leven van Suze Zilverberg. Toen echter in 1940 alle Joodse rijks- en gemeente ambtenaren ontslagen werden en in januari 1941 de bioscopen "voor Joden verboden" werden verklaard, sloeg een stille angst toe. Die werd nog vergroot, toen kort daarop naar aanleiding van plunderend en vernielend optreden van N.S.B.ers in de Jordaan honderden Amsterdamse Joodse jongemannen werden opgepakt en weggevoerd. Die hierop volgende "februaristaking" stak wel een hart onder de riem, maar door de harde Duitse tegenmaatregelen werd de dreiging weer verder versterkt.

Vader Zilverberg praatte zichzelf en zijn gezin moed in. "Ze doen ons niks!", zei hij herhaaldelijk. "Wie zou ons nou wat moeten doen? Iedereen kent ons toch in Dalen en burgemeester Ten Holte is een vriend van mij!". En inderdaad, in Dalen gebeurde niks. Alle dorpsbewoners, ook de N.S.B.ers, gingen gewoon met de Zilverbergs om; ze hoorden er nog steeds bij. Dat gold voor alle Joodse gezinnen: de weduwe Eva Bierman met twee zoons, haar derde zoon Izak met diens vrouw en drie kinderen, het kinderloze echtpaar David en Jet Bierman, de weduwnaar Izak Bierman en de Zilverbergs.

Er kwamen steeds meer landelijke beperkingen. Het bezoek aan openbare gelegenheden, aan parken en zelfs aan cafe's werden voor Joden verboden. Overal kwam het vervloekte bord, dat dit verbod uitdrukkelijk vermeldde, voor de ramen te hangen. Behalve hier in Dalen, waar een vastbesloten en onvervaarde Ten Holte het wist te verhinderen. Hier woonden immers haast geen Joden!

Maar aan het dragen van de gele Davidsster met het woord Jood erop konden de Zilverbergs en de andere Daler Joden toch niet ontkomen. Op Duits bevel en met medewerking van de Joodse Raad werd het dragen van de ster op de bovenkleding in mei 1942 verplicht gesteld. Suze haatte de ster. Hij dwong haar apart te zijn en belemmerde haar in haar vrijheid. Daarom deed ze hem af als ze naar (een voor haar verboden!) dansavond in zaal Huizing ging en daarom in Coevorden bij haar vriendin of bij de Zilverbergs overnachtte. Als er Dalenaars in de zaal waren, werden deze na afloop door Coevorder vrienden aangesproken. "Denk erom dat je je mond houdt over Suze!". En dat deden ze dan ook! Niet zo zeer voor de mensen in Dalen, maar vooral voor vader Hartog, die zich streng aan de regels hield en dus niets van het danszaalbezoek en het verwijderen van de ster mocht weten.

Begin september vertrok Suze naar Assen. De familie Nathans, zeer bevriend met haar tante daar, had hulp nodig en Suze die eindelijk wel eens op eigen benen wilde staan, besloot hier het huishouden te gaan doen. Haar vader was het er niet mee eens, maar wilde haar ook niet tegenhouden. Wel had hij gewaarschuwd:"Denk erom, als je eruit gaat, ga je voor minstens een jaar! Je kan niet zomaar terugkomen!". Suze had doorgezet, maar kreeg na drie weken toch heimweegevoelens en besloot weer naar Dalen te gaan. Thuisgekomen mocht ze overnachten, maar de volgende morgen moest ze "per kerende tram" weer terug. Het zou de laatste keer zijn, dat ze haar vader, moeder, broer en zuster zag. Ze werden in de nacht van twee op drie oktober 1942, samen met de andere Joodse gezinnen op Duits bevel en door Daler politiemensen gearresteerd en daarna per bus naar Westerbork gebracht. David en Jet Bierman doken onder in Oosterhesselen.

In de avond van de tweede oktober 1942 wordt er bij de familie Nathans hard en herhaald aangebeld. Suze doet open en staat oog in oog met een drietal politiemensen, die naar binnen willen. Ze lopen door de gang naar de huiskamer, waar alle gezinsleden bij de tafel zitten. Suze volgt hen tot de deur en loopt dan door. Ze weet genoeg. Overal worden immers de laatste tijd Joden opgepakt. Er is voor haar maar een oplossing nu. Door de achterdeur naar buiten! Weg!

Nog maar nauwelijks op straat loopt ze Geert van Wijk, de bakkersknecht, die altijd bij de Nathans brood bezorgt, tegen het lijf. Geert is bezig zijn Joodse klanten te waarschuwen, maar hij is hier net te laat. Nu dus niet! "Mond houden!"zegt hij tegen Suze. "Vlug weg! Ik breng je naar mijn huis, naar de witte de Withstraat. We doen net of we een vrijend paartje zijn!". En hij slaat zijn arm om haar heen.

Er zijn veel N.S.B.ers en politiemensen op straat en telkens als er een paar in de buurt komen, verliezen "de gelieven" zich in elkaar. Enkele keren worden ze met zaklantaarns beschenen en er worden wat opmerkingen gemaakt. Maar..ze worden ongemoeid gelaten; de list werkt uitstekend. Behouden komen ze aan in het huis waar Geert met zijn ouders woont. Hier blijft Suze een week. Hier hoort ze, dat ook in Dalen de Joden zijn weggevoerd. Vader, moeder, haar zusje en haar broer zitten gevangen in kamp Westerbork!

Na een week wordt ze door iemand opgehaald en naar Emmen gebracht. Zonder Davidsster en met een hoofddoek om fietst ze met haar onbekende begeleider dwars door het Drentse land naar de familie Dorsman aan de Parallelstraat. Hier wordt ze opgeborgen op een bovenkamertje; ze moet er zoveel mogelijk blijven en kan niet naar buiten. Alleen Geert van Wijk komt bij haar op bezoek. Hij zorgt voor bonkaarten en houdt haar op de hoogte. Hij vertelt haar ook, dat haar vader, die bij zijn arrestatie als gezondheidsklachten had, op 9 november overleden is en begraven op de Israelitische begraafplaats in Assen.

Anderhalf jaar blijft ze bij de familie Dorsman, anderhalf jaar zit ze opgesloten. Alweer via Geert hoort ze, dat haar moeder, broer en zusje weggevoerd zijn naar Duitsland. Ze hebben een briefje uit de trein gegooid, dat Geert bij zich heeft."We zitten in de trein. Op transport. Waar Suze is, weten we niet. Alle mensen bedankt voor wat ze voor ons gedaan hebben!", zo luidt de tekst. Later, pas na de oorlog, zal Suze vernemen, dat ze alle drie in kamp Sobibor vergast zijn.

Na anderhalf jaar gaat ze dus weg. Het is niet langer vertrouwd hier. Ze gaat naar Emmercompascuum en komt bij de familie Moorlag, op een grote boerderij. Hier heeft ze meer vrijheid. Ze moet wel binnenblijven, maar als ze vroeg opstaat, mag ze buiten even helpen. Daarna, na ongeveer een jaar, wordt ze ondergebracht bij slager Bliede in Nieuw-Dordrecht. Ze is er maar heel kort en nu gaat ze naar de familie Meester in Klazienaveen, die een textielzaak en een houtstek heeft.

Het is een gastvrij gezin, waarin ze opgenomen wordt. Ze mag af en toe, als alles veilig is, naar buiten en ze gaat een enkele keer mee naar de kerk. De familie is trouw meelevend Nederlands Hervormd. Om niet op te vallen (ze heeft ravenzwart haar!) draagt ze een hoofddoekje en een bril. De kerk interesseert haar en ze wil meer weten van het Christendom. Daarom krijgt ze catechisatielessen van meneer Prins. Zoon Jan, die kerkorganist is, geeft haar orgelles. Haard godsdienstig besef wordt niet weinig versterkt, als er bij de familie een overval door de Gestapo plaats vindt. Ze zijn allemaal aanwezig, ook Suze. De Duitsers staan voor hen in de kamer en iedereen denkt:"Nu is het afgelopen!".

Niemand zegt iets; de spanning is te snijden! Ineens draait de commandant van de groep, een beruchte S.S.er, zich om en zegt:"Weg!". En ze gaan! Ze zijn er allemaal kapot van en Suze gaat om bij te komen een paar dagen naar wijkverpleegster Wesselink in Nieuw-Dordrecht. "Ik heb dit altijd gezien als God's weg, een Godswonder!", zegt ze nu nog.

Jan en Suze raken verliefd op elkaar. Moeder Meester vindt dat maar niks, maar Jan trekt zich er weinig van aan. Suze wel, want ze wil geen onvrede in het gezin. In de afgelopen drie jaar heeft ze geleerd zich te schikken naar de wensen van hen, die gastvrijheid verlenen. Tenslotte wagen zij hun leven!

Op 11 april 1945 komt de bevrijding. Suze mag zich vrij bewegen; ze mag zo maar de straat op! 't Is een onbeschrijflijk gevoel - de mensen, die haar begroeten en niet van haar bestaan afweten - de vreugde en tegelijk de eenzaamheid. Want ze beleeft dit allemaal alleen, zonder haar ouders, zonder haar broer en zus. Ze klampt zich vast aan Jan. Hij is de enige die ze nog heeft.

Kort na de bevrijding gaat ze terug naar Dalen, samen met Jan's moeder. Die wil graag eens zien waar Suze gewoond heeft. Het ouderlijk huis blijkt door andere mensen bewoond te zijn, maar ze wordt er gastvrij ontvangen. De hele buurt loopt uit, blij en opgewonden. Suze Zilverberg is terug! Burgemeester Ten Holte laat vragen of ze naar het gemeentehuis wil komen. Hij ontvangt haar als een verloren dochter en vertelt haar, dat hij bij de bus persoonlijk afscheid van haar ouders en haar broer en zus. Als een vriend! "Als ik je ergens mee kan helpen, dan kan je op mij rekenen!", verzekert hij haar. Als ze teruggaan naar Klazienaveen, is moeder Meester omgedraaid als een blad aan een boom. Wat een mooi huis en de mensen hebben zoveel goeds over haar en haar familie verteld!

Suze blijft de eerstkomende tijd in Klazienaveen. Ze verkoopt al heel snel haar huis aan de Westerwijk. Ze wordt officieel Hervormd, laat zich dopen en doet belijdenis. En ze trouwt natuurlijk met Jan. Als hij in Rotterdam gaat studeren, gaat ze met hem mee. Ze komen terug naar Klazienaveen en dan komt na vier jaar Jan bij een verkeersongeluk om het leven.

Weer staat Suze er helemaal alleen voor. Nu met twee kleine kinderen, voor wie ze moet zorgen. Ze begint een hoedenzaak, die uitgroeit tot een bloeiende winkel in dames- en herenlingerie. Dank zij haar opgewekte natuur, maar vooral dankzij God's weg in haar leven, redt ze het. Daar is ze rotsvast van overtuigd!

Van de vijf Joodse gezinnen, die in 1942 in Dalen woonden, keerden alleen Suze Zilverberg en David en Jet Bierman terug. Dertien Daler medeburgers werden op afschuwelijke wijze vermoord!


Aanvullende opmerking van lezer Dick ten Heuvel.

Op de site van herdenking Dalen bij een joods meisje heb ik een opmerking.Er wordt geschreven in het vluchtverhaal dat zij in Klazienaveen bij de familie Meester kwam.

Dit is volgens mij niet helemaal juist. Zij kwam bij de familie Heldring die daar een houtstek had en mijn tante Aleid Meester had naast het houtstek een winkel in manufacturen.

Dat werd Meester genoemd omdat er in Klazienaveen nog een winkel was die Heldring heette. Mijn tante had daar een winkel aan de ene kant van het houtstek omdat Heldring rijk was en aan de ander kant nog een mooi huis had.

Mijn oom Jaap Heldring had een drank probleem en daarom kreeg hij van de familie een baan op het kantoor van de houthandel.Later zijn ze nog gescheiden en in 1950 opnieuw getrouwd.

Mijn tante was zeer gelovig bij het dweperige af. Dus dat NH komt wel goed uit. Zij was onderwijzeres aan een christelijke school. Zeer tegen de zin van haar vader.

Toen de latere mevrouw Menkveld van hier in stad op de kweekschool was, in de derde klas, vroeg haar vader of ze ook aan het christelijk onderwijs wilde gaan lesgeven en het antwoord van tante Mannie was ja, toen moest ze direct van school af. Dit is nog gebeurt in Nw. Pekela nog voor 1918.

In 1918 kwamen ze met de hele familie in Coevorden wonen. Café de Blauwe Vaan (Friesestraat) hadden ze toen gekocht.


Last update:10-05-2009 by www.herdenking.nl