In verzet.
Dan komen de Duitsers langs! Motorrijders en paardenvolk.

Harm Veldhuis was een eigenzinnig, vroegwijs jongetje. Toen hij in 1927 van de lagere school kwam, wilde meester Hoving hem naar de Ambachtsschool in Coevorden sturen, maar dat ging niet door. Harm wilde niet. Er was veel werkeloosheid en verschillende jongens met een diploma van deze school konden geen werk vinden en kregen een rijksdaalder in de week. Harm wilde meer bereiken!

Hij ging eerst bij een boer werken en nam er een krantenwijk bij. Tussendoor hielp hij zijn vader, die behalve boer ook plaatselijk zaakvoerder bij de varkenscentrale was. Vader Veldhuis was eerst varkenshandelaar geweest, maar door de slechte tijden was alle persoonlijke handel in slachtdieren verboden en die mocht nu alleen via de centrale plaats vinden. Harm volgde nog een boekhoudcursus en kreeg de kans een dag per week assistent-landmeter te worden. Toen hij tenslotte ook nog bij de Daler zuivelfabriek flesjes mocht gaan “intappen”, was hij een druk bezet mens geworden. Temeer daar hij tussendoor ook nog ging handelen in kalveren.

Toen W. Udema van hotel Cornelis hem vroeg daar in dienst te komen, zegde Harm zijn werk aan de zuivelfabriek op. Hij werd ober in het hotel, deed er alle voorkomende werkzaamheden en verzorgde de likeurstokerij, die Udema er ook nog op na hield. Drie dagen in de week ging hij nu met de landmeter mee en op dinsdagavond en vrijdagavond bezorgde hij de kranten. ’s Morgens vroeg, “voor de landmeter aan”, ging hij vaak nog een paar boeren bezoeken om kalveren te kopen. Zo werkend verdiende Harm twintig tot eenententwintiggulden per week. Dat was wel wat anders dan je hand ophouden voor een rijksdaalder!

Op 8 mei 1940 kwam er een ommekeer in zijn bestaan. Zijn vader, die al geruime tijd met zijn gezondheid sukkelde, overleed na een verblijf in het ziekenhuis in Zwolle. Harm’s oudere broer Olf, die in militaire dienst was, kreeg verlof voor de begrafenis en kwam naar huis. Naar de gewoonte van die tijd werd het lichaam van de overledene opgebaard in de huiskamer van het kleine boerderijtje aan de Reindersdijk, waar de familie woonde. De luiken voor de ramen werden dag en nacht gesloten gehouden en in het halfduister leefde het gezin letterlijk in diepe rouw. Vader moest vijf dagen in de kist opgebaard blijven liggen. Zo wilde het de traditie.

Op de morgen van de tiende mei zijn Harm en zijn broer om vijf uur in de wei aan het melken. Er komen veel vliegtuigen over, maar de broers denken, dat het oefenende Nederlandse toestellen zijn. Als echter de knallen van de ontploffende ladingen onder de bruggen in de omtrek weerklinken, haasten ze zich naar huis. Daar zetten ze behoedzaam het toestel van de radiodistributie aan en dan wordt alles duidelijk. Het is oorlog! Ze begraven onmiddellijk het soldatenuniform van Harm’s broer in het kippenhok, want als burger loopt hij veel minder gevaar. Harm fietst nog snel naar de boerenleenbank van Wolter van Tarel en neemtig vijftig zilveren guldens op, die ook in het kippenhok verborgen worden. Dan hebben ze wat achter de hand. Harm’s zuster met haar zoon komt ook nog bescherming in het ouderlijk huis zoeken.

Dan komen de Duitsers langs! Motorrijders en paardenvolk. Hier en daar stappen ruiters af om hun paarden te laten drinken, maar het huis met de gesloten luiken rijden ze voorbij. Ook Duitsers weten wat dit betekent. “’t Was net een onweersbui, die Duitse inval!”, herinnert Harm zich nu. “’t Was zo voorbij!”.

Drie dagen later wordt vader Veldhuis begraven en dan is Nederland nog volop in oorlog. De familieleden zijn niet voltallig aanwezig, want verschillende jongens zijn in militaire dienst en nemen deel aan de gevechten. ’t Wordt een gedenkwaardige begrafenis. Tijdens het samenzijn na afloop wordt met geen woord over de overledene gesproken. Iedereen heeft het over de oorlog en over het lot van de soldaten in de familie.

Harm wordt nu in plaats van zijn vader varkenshandelaar. De allers regelende centrale wordt opgeheven; de handel is weer voor ieder toegankelijk. In zijn vrije uren blijft hij werken in hotel Cornelis. Als in 1941 Udema, die N.S.B.er is, zich als vrijwilliger bij het door de Duitsers ingestelde Arbeidsfront meldt, neemt Hendrik Bos Rzn het bedrijf over. Harm werkt hem nog een tijde in en gaat zich daarna helemaal aan de varkenshandel wijden.

Om dag en nacht “bij de weg” te kunnen zijn, probeert hij een “Ausweis”, een doorlaatvergunning, te krijgen. Hoewel hij niet meer bij de landmeetdienst werkzaam is, krijgt hij er een als meetarbeider en gebruikt het papiertje vervolgens uitsluitend om bij de boeren ’s avonds varkens te kunnen kopen. Hij verkoopt de dieren aan iedereen, die vlees nodig heeft en er zijn klanten genoeg. Voor Harm is alleen de handel belangrijk; met de oorlog bemoeit hij zich niet. En aan verzet tegen de Duitsers denkt hij al helemaal niet. Dat zal echter veranderen.

Als in mei 1943 als protest tgegen de wegvoering van officieren van het vroegere Nederlandse leger de zogenaamde Meistaking uitbreekt, behoort Harm tot een van de aktievoerders in Dalen. Tegen dit onrecht moet wat gebeuren, vindt hij. De boeren weigeren nog langer melk te leveren en gieten de kostelijke vloeistof in de sloten of op het weiland uit. De Duitser reageren niets en niemand ontziend en laten een groot aantal Nederlanders zonder meer doodschieten. Hierdoor gaan de stakers weer aan het werk. Gelukkig zijn er in Dalen geen slachtofferst te betreuren.

Kort na de staking, in de nacht van 13 op 14 mei, stort vlakbij het boerderijtje van de familie Veldhuis een Canadese bommenwerper neer. Als ze van de eerste schrik bekomen zijn, klimmen Harm en Olf in de romp van het toestel en vinden daar het lichaam van de omgekomen piloot. Ze nemen patroonbanden en een radiozender mee. De patronen gooien ze in een sloot en de zender begraven ze bij een boer in de buurt. Burgemeester Ten Holte is ook al snel op de plaats van de ramp aanwezig en ook hij laat zich niet onbetuigd. Hij neemt een opblaasbare rubberboot mee.

De Duitsers komen en zetten het terrein af. Er worden vier dode Canadezen gevonden; twee in het toestel en twee erbuiten. Drie leden van de bemanning hebben met een parachute het vliegtuig op tijd kunnen verlaten en zij worden gevangengenomen. De vier slachtoffers worden enkele dagen later in Dalen begraven; Harm Veldhuis en de burgemeester zijn erbij aanwezig en leggen bloemen op het graf.

Het gebeuren krijgt een gevaarlijk vervolg. De Duitsers missen wapens en apparatuur, als ze het vliegtuig grondig onderzoeken er er wordt een opsporingsaktie ingezet. Dat duurt vrij lang, maar tenslotten komen ze door rondvertelde geruchten tot de overtuiging, dat de burgemeester en Harm er meer van moeten weten. Op maandag 6 december worden beiden in opdracht van de Duitse Sicherheitsdienst gearresteerd en op 7 december naar het huis van bewaring in Groningen overgebracht.

Harm wordt de dag daarop naar het door martelingen beruchte Scholtenshuis gebracht en verhoord door de S.D.ers Lehner en Knorr. Hij weigert te bekennen iets uit het vliegtuig meegenomen te hebben en wordt opgesloten in de zogenaamde folterkamer. Hier wordt hij geboeid aan de centrale verwarming en met laat hem daar staan.

In de loop van de dag komen de beide S.D.ers af en toe binnen en vragen, of hij al wil bekennen. Harm weigert beslist. Het wordt avond en nacht en nog steeds staat hij geboeid aan de verwarming. De volgende morgen wordt er een ontbijt binnengebracht en naast het bord leggen de beulen een sigaret."Als je bekent, mag je eten en roken!", zeggen ze. Harm blijft bij zijn weigering en het ontbijt wordt weer weggehaald.

De hele nu volgende dag blijft hij staan en voortdurend wordt hij ondervraagd. Zonder resultaat. 's Avonds is hij kapot! Zijn voeten zijn zo dik geworden, dat de veters van zijn schoenen geknapt zijn; hij heeft zijn urine laten lopen en zijn polsen zijn door de boeien helemaal ontveld. Toch houdt hij vol. Als hij al staande wat in slaap sukkelt, komt een bewaker hem een glas water in zijn gezicht gooien. In een voorgewende opwelling van medelijden laten de bewakers hem even naar de w.c. wankelen, maar hij wordt door een herdershond weer teruggejaagd.

De volgende morgen, het is dan vrijdag, staat er weer een ontbijt voor hem klaar. Lehner stopt hem een appel in de mond, die er direct door Knorr weer uitgeslagen wordt. "Bekennen", is de eis, maar Harm blijft standvastig. Tot tien uur duurt de marteling. Dan wordt hij losgemaakt. Na zestig uur!Zonder ook maar iets losgelaten te hebben. Een haast bovenmenselijke prestatie!

Harm wordt weer overgebracht naar het huis van bewaring. De direkteur, die geen N.S.B.er is, vraagt hem of hij ook iets bekend heeft. Op Harm's ontkennend antwoord krijgt hij een boterham met paardenvlees. In een cel opgesloten, wordt hij deskundig gemasseerd door een ziekenverpleger. Pure weldaden zijn dat.

Drie dagen blijft hij alleen opgesloten. Dan wordt hij opnieuw verhoord. Hij blijft ontkennen en dus gaat hij weer terug. Het regiem wordt nu wat verzacht en hij krijgt een celgenoot, die een schaakspelletje en kaarten bij zich heeft. Samen spelen ze om een stukje brood; wie wint mag het hebben. De celgenoot kan goed schaken, maar Harm kaart veel beter en omdat ze steeds opnieuw beurtelings schaken en kaarten, verwisselt het stukje brood ook steeds weer van bezitter.

Harm wordt veroordeeld tot vijf weken dwangarbeid in het strafkamp Halle in Duitsland, maar gelukkig worden er pogingen in het werk gesteld hem weer vrij te krijgen. De oom van zijn vriend, Jan Kalkdijk, die met de Duitsers zaken doet, wendt zijn invloed aan! 't Kosten hem vijf liter oude jenever en vijf blikjes ansjovis, voor de Duitsers toezeggen hem vrij te willen laten. Maar dan moet er nog wel een officiele verklaring uit Dalen komen, dat Harm boer is. Burgemeester Ten Holte, inmiddels al vrijgelaten, zorgt daarvoor en op 13 januari 1944 wordt Harm uit de gevangenis ontslagen.

"Je moet nog wel even naar het Scholtenshuis!", zegt de gevangenisdirecteur, als Harm afscheid neemt. Dat is ook wat! Harm weifelt. "Zal ik het wel doen? Is het geen valstrik?", denkt hij. Maar hij gaat toch. Hij wordt binnengelaten in de kamer van zijn beide beulen. Knorr blaft hem toe:"Je bent vrij door gebrek aan bewijs!Maar als ik je nog één keer tegenkom, schiet ik je dood! Eruit!". En Harm wordt naar buiten geschopt. Om acht uur die avond is hij thuis en die nacht doet hij geen oog dicht, hoewel hij doodmoe is. Tussen hem en de burgemeester ontstaat nu een soort lotsverbondenheid.

In het najaar van 1944 wordt hij opgeroepen om samen met andere jonge Dalers in Smilde voor de Duitsers verdedigingswerken aan te gaan leggen. De bezetters hebben de organisation Todt (genoemd naar een Duitse ingenieur) in het leven geroepen om overal mannen te dwingen voor hen te gaan werken. Harm neemt zijn fiets mee en als het zaterdag is, verlaat hij zonder toestemming het werkkamp en fietst doodgemoedereerd naar huis. Dat kan hem duur te staan komen, maar burgemeester Ten Holte ontfermt zich over hem door hem aan te stellen als verbindingsman bij de Todt. Nu hoeft hij niet meer terug en moet proberen bij de Duitsers vrijstellingen te krijgen voor mannen, die zich ook moeten melden voor tewerkstelling.

Het gebeuren heeft diepe sporen bij hem achtergelaten en hij laat nu geen mogelijkheid meer benut de Duitsers dwars te zitten. Door de varkenshandel komt hij in aanraking met de gebroeders Hartemink, boeren, die in Hoogehaar en Dalerpeel wonen. Zij maken actief deel uit van een verzetsgroep. Harm biedt zijn diensten aan.

Als hij na enkele weken door een geheimzinnig persoon gevraagd wordt mensen weg te brengen naar de Hoogehaar, begrijpt hij onmiddelijk, wat er aan de hand is en antwoord instemmend. "Als er bij jou aan het raam getikt wordt, zitten er de dag daarop of de dan volgende dag onderduikers aan de Ruimsloot achter je huis. Die moet je wegbrengen!". Zo luidt de opdracht.

Er gaat enige tijd voorbij en Harm is de afspraak al bijna vergeten, als er inderdaad 's avonds tegen het raam getikt wordt. "Wat is dat?", denkt hij eerst, maar dan dringt het tot hem door. De volgende dag fietst hij langs Ruimsloot, maar er is niemand. De daag daarop ziet hij inderdaad vier mannen langs de slootkant zitten. Hij steekt zijn hand op en een van het zwaait terug met een papiertje. Dat blijkt een schets te zijn van de route naar de sloot. Harm kan de mannen niet verstaan. het zijn Fransen, gevlucht uit een kamp in Duitsland. Midden op de dag brengt hij ze naar de brug bij de Hoogehaar. Hij fietst langzaam vooruit, keert terug, rijdt naar de mannen toe en keert weer. Als de brug overlopen, draait hij zich om en fietst terug. De Fransen worden aan de andere kant opgevangen, maar hij weet niet door wie. Dat mag ook niet, vindt men bij het verzet. Wat je niet weet, kun je ook niet vertellen!

Vijf transporten brengt hij zo weg. Eén keer is er maar één man, een andere keer zijn het er twee. Steeds zijn het buitenlanders. Als hij in december 1944 vier Nederlandse, uit Duitsland gevluchte dwangarbeiders moet wegbrengen, gaat het mis. 't Is avond en al donker. Bij bakker IJpelaar vraagt en krijgt hij nog twee broden, die hij eerlijk verdeelt. Op een gegeven ogenblik hoort hij in het duister harde Duitse stemmen. Tot zijn ontzetting zijn het leden van de "Grune Polizei", die in de villa "Vondel" verblijven. Harm kent ze wel. Hij is immers verbindingsman bij de Todt. De vluchtelingen worden meegenomen en Harm weet zich geen raad. Hij is doodsbang maar hij besluit te bluffen. Uiterlijk onbewogen belt hij aan bij "De Vondel" en zegt:"Ik hoor, dat jullie jongens opgepakt hebben. Bij de Todt hebben ze dringen volk nodig. Kunnen we ze niet ruilen tegen een ambtenaar uit Dalen? Die is hier dringend nodig!". Harm heeft geluk.

De Duitsers hebben al gehoord, dat het om gevluchte arbeiders gaat en bovendien zijn ze door het verloop van de oorlog een stuk toeschietelijker geworden. Ze gaan akkoord. De volgende morgen worden de vier gevangenen op transport naar Smilde gesteld en ambtenaar Roelof Hidding mag naar Dalen terug. Een feit, waar burgemeester Ten Holte erg blij mee is, terwijl ook de vier naar Smilde gebrachte gevangenen tevreden mee kunnen zijn. Ze krijgen het hier immers veel beter dan in Duitsland.

Harm brengt hierna geen transporten meer weg. Op 9 en 10 februari wordt de verzetsgroep van de beide Harteminks opgerold. De twee broers worden gearresteerd en op 9 maart bij de Woeste Hoeve doodgeschoten. Een maand voor de bevrijding!

Als op 9 april Dalen door de Poolse troepen bevrijd wordt, komen er al snel enkele mannen bij elkaar, die besluiten een afdeling van de B.S., de binnenlandse Strijdkrachten, te vormen. Het zijn goede vaderlanders, die het gezag willen herstellen en de orde handhaven. Een van hun belangrijkste taken zal zijn het gevangennemen van de N.S.B.ers. Ook Harm Veldhuis wordt gevraagd zich bij hen aan te sluiten. Hij stemt graag toe, maar weigert N.S.B.ers "op te halen". Mensenjacht is niets voor hem.

De volgende morgen wordt de nieuw benoemde B.S. commandant Wilke Bloem dood aangetroffen in het het gemeentehuis. De omstandigheden waaronder hij vermoord wordt, zijn nooit opgehelderd. Al snel wordt beweerd dat de N.S.B.ers er wel meer van zullen weten en dus wordt er grondig tegen hen opgetreden.

Harm Veldhuis en zijn vriend Jan Kalkdijk worden belast met het doorzoeken van de door N.s.B.ers verlaten woningen. Alle belangrijke bezittingen en voorwerpen van waarde moeten geregistreerd worden, zodat niets in verkeerde handen kan komen. Harm en Jan komen er al snel achter, dat er onder de "goede" vaderlanders nogal wat slechte mensen zitten. Er worden voorwerpen vermist. Een ten onrechte weggevoerde vrouw, die al snel terug is, is een zilveren ketting kwijt. Een ander mist een paar schoenen en weer een ander een gouden armband en een onschuldig, ook vrijgelaten gezin klaagt:"Ze hebben ons alles afgestolen!"

Jan en Harm vinden ergens drie koffers, die toebehoord hebben aan de Amsterdamse familie Goedhart. Ze brengen ze naar het hoofdkwartier van de B.S. en daar worden ze in het bijzijn van enkele "medestrijders" geopend. In de eerste koffer bevinden zich nieuwe kleren, in de tweede gouden sieraden en sigaretten en in de derde effekten en zilveren bestekken. Alles wordt nauwkeurig gecontroleerd en opgeschreven en men besluit de kostbaarheden naar de boerenleenbank te brengen. Daar kunnen ze in de kluis opgeborgen worden.

Als Harm enkele dagen later bij de bank informeert of de spullen goed opgeborgen zijn, blijken ze nooit gebracht te zijn. Ze zijn gestolen en niemand weet, waar ze gebleven zijn. Dat is voor harm de druppel, die de emmer doet overlopen. Hij zegt zijn lidmaatschap van de B.S. op en vertrekt.

Tientallen jaren later, in 1983 worden Harm's verdiensten erkend. Door zijn hardnekkig zwijgen tijdens de verhoren door de S.d. redde hij ook burgemeester Ten Holte het leven en zijn moedig gedrag bij het begeleiden van vluchtelingen gaf hem de vrijheid terug. Om deze redenen behaagde het Hare Majesteit de Koningin hem te onderscheiden met het zilveren verzetskruis. Een terechte erkenning!



Last update: 11-11-2007 by www.herdenking.nl