Gevecht bij de brug
Met een daverende knal werd de brug vernield.

Het is doodstil bij de Oosterhesselerbrug op die tiende mei, 's morgens even na zeven uur. Zo juist is met een daverende knal de brug vernield en nu wachten alle mensen in de buurt in angstige spanning op de dingen, die komen gaan. Aan de overkant van het kanaal liggen ruim dertig Nederlandse soldaten in stelling; twee groepen in betonnen bunkers, één groep in een loopgraaf en één groep bij een kanon achter een aarden borstwering. De huizen en boerderijen vlak bij de brug zijn op bevel van de Nederlandse commandant allemaal ontruimd.

Voor de Dalenaars, die aan de Oosterhesselerweg wonen, geldt dit bevel niet. Zij zijn dus nog allemaal aanwezig. Hendrik Schepers, Harm Abbing, Hendrik Blaauw en zijn zoon Hilbrand lopen achter in het land aan de westkant van de weg en turen richting Dalen. Plotseling roept Hilbrand:"Daar komen ze!". Inderdaad, voorafgegaan door een open terreinwagen komt een colonne Duitse motorrijders de Oosterhesselerweg af. De dreunende motoren verscheuren de stilte en opgeschrikt komen de vrouwen en kinderen van Blaauw en Schepers de huizen uit. Als lamgeslagen staan ze toe te kijken, hoe het grauwe geweld langsrijdt. De Duitse officier, die rechtop in de terreinwagen staat, gebaart gebiedend, dat ze naar binnen moeten gaan. De vrouwen gehoorzamen onmiddellijk, trekken de kinderen mee en verdwijnen achter het huis van de familie Blaauw. Gelukkig maar!

Gevecht bij de brug
De brug met de versperrende betonringen.


De Nederlandse commandant, luitenant de Vroome, staat achter de borstwering bij het kanon. Hij laat de Duitsers tot zo'n tweehonderd meter naderen. Dan geeft hij het bevel:"Vuur!" en het kanon braakt zijn eerste granaat uit. Tegelijkertijd veegt een hagel van mitrailleurkogels uit de oostelijke bunker over de weg.

De verassing is compleet! De gevechtswagen wordt vol getroffen en de rechtopstaande officier wordt aan hoofd en arm gewond. De motorrijders, voor zover niet geraakt, zoeken dekking in de bermsloten. De vrouwen vluchten met hun kinderen in de op het land staande rogge. De mannen zien hen wegrennen en voegen zich bij hen. Kruipend door de sloten ontkomen ze ongedeerd en vinde onderdak bij de familie Kiers in de Sombroeken.

Het gevecht bij de brug gaat voort. Nog tweemaal vuurt het kanon en dan stort het schietgat in de borstwering in en het is onbruikbaar geworden. De geweerschutters in de loopgraaf en de mitrailleurs in de bunker blijven echter onverminderd schieten en de Duitsers komen geen stap verder. Ze krijgen echter versterking. Het ruiter-eskadron, dat inmiddels door Dalen getrokken is,komt op het gevechtsterrein.

De Duitsers rukken nu op, al kruipend en schietend door het terrein naast de weg. Enkele lichte kanonnen, die de ruiters meegevoerd hebben, houden de bunker onder vuur. Toch blijven de Nederlanders doorschieten, maar ze kunnen niet voorkomen, dat de vijand het kanaal bereikt.Bij het oversteken van de weg langs het kanaal wordt de Duitse eskadroncommandant, die voorop gaat, dodelijk getroffen.

In de Nederlandse loopgraaf zakt plotseling soldaat Van der Voort in elkaar; hij is gesneuveld. Het zet zijn kameraden alleen maar aan tot nog fellere tegenstand. Toch kunnen ze de ongelijke strijd niet volhouden. Een Duitse stoottroep van geharde soldaten sloopt een paar honderd meter ten oosten van de brug de baanderdeuren uit de boerderij van Albert Oosting. Ze gebruiken ze als vlotten en steken ongezien het kanaal over.

Nu vallen ze de Nederlanders van opzij en in de rug aan en tegen dit onverwachte geweld zijn de dappere verdedigers niet opgewassen. Vierentwintig Nederlandse militairen geven zich over en worden krijgsgevangen gemaakt. Twee uur lang hebben ze de Duitse overmacht tegengehouden. Een aantal van hen is gevlucht; één soldaat heeft zijn leven gegeven voor het vaderland. Aan Duitse zijde zijn tientallen doden en gewonden gevallen. Onder hen ook de commandant.

Om een uur of vier die middag komen de families bij hun huizen terug. Er is veel schade; de meeste ruiten zijn aan gruizels en overal zijn kogelgaten. "Otien" (oma) Wessels, die in het brugwachtershuisje woont, ontdekt bij het binnenkomen van haar woning, dat het er wemelt van de Duitse soldaten. Ze wordt woedend. "D'r oet! Allemaol d'r oet!", schreeuwt ze. En...de verbouwereerde Duitsers gaan!

De familie van Dalen, die in het café vlakbij de brug woont, krijgt de volgende morgen vroeg weer opdracht het huis te verlaten. De Duitsers willen met een springlading de klep van de brug, die nog steeds schuin omhoog staat, laten vallen. Opnieuw doet een daverende ontploffing de omgeving daveren. Het is voorlopig het laatste oorlogsgeweld. Met behulp van planken wordt de brug eerst op eenvoudige manier hersteld. Later zal er een nieuwe komen.



Last update: 29-09-2007 by www.herdenking.nl