Geldzaken.
Iedereen moest nu aantonen, hoe het in de oorlog verkregen geld in zijn bezit was gekomen.



In de dertiger jaren was de Cooperatieve Boerenleenbank "Dalen" (nu Rabobank) gevestigd in de boerderij aan de Hoofdstraat, waarin zich thans het restaurant "'t Oelnbret" bevindt. Hier woonde kassier Wolter van Tarel met zijn gezin. De bank werd in die tijd alleen maar gebruikt om geld via een spaarbankboekje vast te zetten of op te nemen en voor het sluiten van leningen. Vandaar dat Wolter van Tarel alleen maar op woensdag- en vrijdagavond zitting hield. De bezoekers kwamen binnen via de baanderdeur, zetten hun klompen op de deel en wachtten in de keuken tot ze aan de beurt waren. De kassier ontving hen dan in de huiskamer; daar stond ook de brandkast.

De dertiger jaren brachten nogal wat extra werkzaamheden, doordat roggen en aardappels vaak voor menselijk gebruik ongeschikt werden gemaakt (zie hoofdstuk 12). Dit gebeurde, omdat grote hoeveelheden van de landbouwprodukten onverkoopbaar waren geworden. Voor het onbruikbaar maken van hun rogge en aardappels voor menselijke consumpties kregen de boeren van de regering een vergoeding, die door de bank werd uitbetaald.

Noodgedwongen namen veel boeren aan deze regeling deel om op deze manier toch nog iets voor hun gewassen te ontvangen. Soms gebeurde het, dat er op zittingsavonden zo veel boeren hun vergoeding kwamen halen, dat er in de keuken geen stoel vrij was. Dan zaten de laatst aangekomenen op de grond.

Op de morgen van de tiende mei 1940 stond de familie Van Tarel achter in de huiskamer en keek angstig toe, hoe de Duitse ruiters door de Hoofdstraat reden. Ze stegen regelmatig af en speurden met het geweer in de aanslag achter de bomen en zelfs achter de kerk om te zien of er ook sluipschutters stonden. Dat bleek niet het geval te zijn.

Na de bezetting gebeurde er eerst niets bijzonders bij de afhandeling van de geldzaken. Na verloop van tijd begonnen de Duitsers echter de boeren te verplichten hooi en stro voor het leger te leveren. Ook moesten ze koolzaad voor hen gaan verbouwen. De geleverde produkten werden door de bezetters prompt betaald en zo kregen de boeren eindelijk voldoende geld voor hun werk. Waarbij wel vermeld moet worden, dat dat geld steeds minder waard werd. De Duitsers voerden zinken munten van 1 cent, 2,5 cent, 5 cent, 10 cent en 25 cent in. De koperen, zilveren en gouden munten van voor de oorlog moesten allemaal ingeleverd worden te behoeve van de Duitse oorlogsindustrie. Velen deden dat niet en verborgen hun muntgeld in afwachting van betere tijden. Sommigen zaagden "de kop" van koningin Wilhelminaa uit zilveren guldens of rijksdaalders en maakten er een speldje van. Dat droegen ze dan op besloten bijeenkomsten als een teken van vaderlandsliefde.

Van zilveren dubbeltjes werden wel armbanden gemaakt en van gouden tientjes manchetknopen. Dan waren het sieraden geworden en die hoefde je niet in te leveren. Doordat de boeren nu voortdurend geld ontvingen voor de geleverde produkten, werd er ook veel meer gespaard bij de bank. Daar kwam ook nog bij, dat "boerenartikelen" als kunstmest en bouwmaterialen schaars werden en dus haast niet meer te koop waren. De banken werden nu als het ware overspoeld met geld en de Centrale Boerenleenbank in Utrecht besloot in december 1943 zelfs geen bedragen meer aan te nemen. Toen dit besluit in het voorjaar van 1944 wer ingetrokken werd, verlaagde men de rente. Zo werd deze voor niet-leden van de bank vastgesteld op 1/2 procent!

De Daler boerenleenbank probeerde de aangeboden bedragen zo goed mogelijk te beleggen. Op 2 maart 1942 een som van f 50.000,- en op 1 februari 1943 zelfs f 200.000,- in staatspapieren. Tevens werd op laatstgenoemde datum nog eens voor f 50.000,- ingeschreven op een lening van de gemeente Amsterdam.

De Duitsers vorderden ook paarden voor hun leger en riepen dan boeren op om met hun dieren naar de markt in Dalen te komen. N.S.B.ers, zelf vrijgesteld van paardenvordering, hielpen hen bij het maken van een keuze en stelden de prijs vast. Vervolgens moesten de boeren vaak zelf de gevorderde paarden naar een verzamelplaats brengen.

Alle betalingen van de Duitsers voor produkten en paarden werden via de bank afgehandeld. Hier konden de boeren hun geld afhalen, nadat kassier van Tarel de lijsten met namen, adressen en bedragen ontvangen had. Deze manier van afrekenen zorgde wel eens voor het tot stand komen van merkwaardige transakties. Zo vroeg een kleine boer op 1 april 1943 vijfhonderd gulden te mogen lenen om een nieuw paard te mogen kopen. Zijn vorige was door de Duitsers gevorderd, maar hij was melkrijder en hij kon zijn trekdier dus geen dag missen. Het bestuur van de bank stemde met de lening in op voorwaarde dat het geleende bedrag afgelost moest worden met het geld, dat de boer voor zijn gevorderde paard zou ontvangen.

Brachten de betalingen aan de boeren veel extra werk met zich mee, na de oorlog zou de kassier het nog veel drukker krijgen. De bezetter had zoveel geld in omloop gebracht, dat het hoog tijd werd om orde op zaken te stellen. Dus nam de nieuwe minister van Financien, P. Lieftinck, in september 1945 harde maatregelen. Alle munten en bankbiljetten, die men in bezit had, moesten bij de bank worden ingeleverd. Om toch alle noodzakelijke behoeften te kunnen kopen, kreeg elke Nederlander, oud en jong, arm en rijk, voor de periode van een week van de staat een nieuwe biljet van tien gulden. Burgemeester Ten Holte, grootgrondbezitter en zeer vermogend, kreeg met een kind thuis dertig gulden en een van zijn pachters met zeven kinderen ontving negentiggulden. Hetgeen de burgemeester lachend deed opmerken:"Jij bent nu rijker dan ik!".

Iedereen moest nu aantonen, hoe het in de oorlog verkregen geld in zijn bezit was gekomen. Er waren immers zwarthandelaars geweest, die veel verdiend hadden door voedingsmiddelen en kledingstukken voor veel te hoge prijzen te verkopen. Sommigen van hen, die bang waren hun straf niet te ontlopen, verbrandden hun geld liever dan het in te leveren. Anderen vroegen vrienden of kennissen een deel van hun geld als het hunne in te leveren. Later ontstonden dan soms problemen, omdat de "vrienden" ontkenden ooit geld te hebben gekregen of het achteraf niet eens waren met de hoogte van het bedrag.Er kwamen immers ook veel mensen met bankbiljetten en munten, die ze gedurende de oorlog verstopt hadden.

Zo kwam er bij de Daler bank een man, die zijn geld in een kartonnen doos in de grond had bewaard.De bankbiljetten zaten aan elkaar gekleefd en stonken verschrikkelijk. Wat later bracht een ander een ook al kwalijk riekende "karbies" vol munten en bankbiljetten, die hij direkt op de tafel wilde omkeren. Wolter van Tarel, door de ervaring wijs geworden, bekeek de ordeloze voorraad vanaf gepaste afstand en zei:"Zoek dat eerst zelf maar eens uit. Achter in de tuin vind je wel een plaatsje op de tuinbank, waar je 't kunt neerleggen!". Waarna de man vertrok en de opdracht uitvoerde.

Al het ingeleverde geld diende op een speciale girorekening gestort te worden; uiteraard moest ook alles nauwkeurig opgeschreven en verantwoord worden. De tegoeden werden gesplitst in een giraal gedeelte (35 procent) en een geblokkeerd gedeelte (65 procent). Van het eerst genoemde mochten al na korte tijd rekeningen voldaan worden, waardoor een groot aantal Dalenaars voor het eerst kennismaakte met het betalen via een bankrekening. Het geblokkeerde geld mocht alleen gebruikt worden voor het kopen van aandelen Nederlandse Werkelijke Schuld (een staatslening). Deze waardepapieren werden jaarlijks uitgeloot, waardoor er steeds een gedeelte in geld werd terugontvangen. Ook kon men er elk jaar voor driehonderd gulden van verkopen. Langzamerhand kwam zo de geldzuivering tot een bevredigende afsluitin en kreeg iedereen zijn bezit in nieuwe bankbiljetten terug. Behalve zij, die inderdaad niet konden aantonen hun geld op een eerlijke manier verkregen te hebben. Het lelijke zinkgeld bleef overigens nog tot 1948 in omloop. Wolter van Tarel kon het werk door de enorme groei van bankaktiviteiten niet alleen meer af, ook al werd hij bijgestaan door zijn zoon Kars, die als sinds 1943 plaatsvervangend kassier was. Op 7 oktober 1945 werden daarom twee bankbedienden aangesteld.

Er kwam overigens nog een zuivering, waarmee Kars van Tarel, die zijn vader in 1945 opvolgde, het erg moeilijk had. Twee leden van het bankbestuur werden ervan beschuldigd met de Duitsers samengewerkt te hebben. Ze waren geen N.S.B.er geweest, maar wel lid van Landbouw en Maatschappij en werden gevangengezet. Ten onrechte, zoals later bleek. Maar het kwaad was toen al geschied. Ze werden uitgesloten van het bestuur en er was voor hen ook daarna geen plaats meer.

Geheel anders verliep deze persoonszuivering in Dalerveen. Daar hadden wel verschillende N.S.B.ers zitting in het bestuur van de plaatselijke bank. Men besloot hier iedereen te laten aftreden. Daarna werd een nieuw bestuur gekozen, waarin ook vroegere "onbelaste" leden weer zitting namen.


Last update: 29-12-2007 by www.herdenking.nl