Dwangarbeid
Toen hield de landwacht plotseling een razzia.



Berend Kikkert werd op 10 juni 1923 aan de Steigerwijk in Dalerpeel geboren. Zijn vader had een klein verveendersbedrijf en Berend ging na de lagere school bij hem in het veen werken. Het was zwaar werk, want alles moest nog met de hand gebeuren.

Op 10 mei 1940 werden ook de bewoners van Dalerpeel opgeschrikt door de overkomende Duitse vliegtuigen. Via de radio was iedereen snel op de hoogte van de oorlogsgebeurtenissen. 's Middags trokken de bezetters al voorbij. Een Duitse gevechtswagen reed de toen nog doodlopende Steigerwijk op, nagestaard door een stel jonge Dalerpelers. Een paar waaghalzen wachtten tot het oorlogsmonster een eind weg was en draaiden toen de brug aan 't begin van de weg open. De Duitsers kwamen zoals verwacht onverrichterzake terug, maar bij de brug gekomen, vermoedden ze een hinderlaag. Het merendeel van de jongens was er al vandoor, maar enkele onverschrokkenen waren blijven staan. De soldaten gaven hen nu voor alle zekerheid opdracht de brug weer dicht te draaien, zodat ze geen risico liepen. De jongens deden dit in alle gemoedsrust, want zij hadden de brug ook open gezet.

Het leven in Dalerpeel verliep de eerste jaren van de oorlog vrij normaal. Afgezien van de invoering van de distributie veranderde er eigenlijk niets. In 1942 werden Berend en zijn broer Reinard opgeroepen om te werk gesteld te worden in Duitsland, maar dankzij de burgemeester behoefden zij niet weg. Ten Holte zorgde voor een officiele verklaring, waarin stond, dat ze niet gemist konden worden in het bedrijf van hun vader. Ze waren vrijgesteld!

In juli 1943 kwam een tweede oproep en nu kon burgemeester Ten Holten niets meer voor Berend doen. Hij raadde hem zelfs aan nu maar te gaan. Dat was Berend echter niet van plan. Hij vroeg dokter de Vries in Coevorden een "verklaring van lichamelijke ongesteldheid" uit te schrijven, maar deze voelde daar niets voor. Berend was immers kerngezond!

De Daler gemeenteambtenaar Roelof Lubbers adviseerde hem nu bij de plaatselijke Duitse commandant in Coevorden vrijstelling te vragen en dat gelukte. Het papier, dat hij kreeg, was echter geen officieel "Ausweis" en dus niet helemaal te vertrouwen. Nu besloot Berend onder te duiken. Overdag bleef hij gewoon in het veen werken. Dankzij het uitzicht over het vlakke land kon hij de omgeving goed in de gaten houden en als er onraad dreigde, was hij zo verdwenen. Samen met enkele andere onderduikers bracht hij de nachten in een tentje tussen de turfbulten of in een korenveld door. Soms was het zo koud, dat ze onder vijf dekens en een dekzeil nauwelijks warm konden worden. Het was een leven vol spanning en ontbering, maar alles was beter dan naar Duitsland te gaan.

Alles ging goed tot maart 1945. Toen hield de landwacht plotseling een razzia (een klopjacht op mensen) in Dalerpeel en twintig jongemannen werden opgepakt. Onder hen Berend en zijn broers Reinard en Jan en drie zonen uit het gezin Karssies. Na verhoord te zijn in de pastorie (zie hoofdstuk 25), werden de gevangenen te voet naar Coevorden gedreven en opgesloten in het leegstaande huis van Willem Mantel, die gearresteerd was. De gearresteerden hadden niets van huis mee kunnen nemen; Berend liep zelfs nog op klompen.

Na een dag of drie werden de mannen per tram naar Assen gebracht en Berend en zijn broers konden tijdens de rit nog even met elkaar praten. Ze spraken af niets over Dalerpeel los te laten en vooral niet over hun broer Hendrik, die gezocht werd wegens verzetsactiviteiten. In Assen werden ze opgesloten in de gevangenis, in een ruimte, waarin ongeveer vijftig mannen bij elkaar zaten. Beurtelings werden ze verhoord, maar de drie broers vertelden niets. Reinard en Jan werden kort hierna vrijgelaten.

Op 3 april werden Berend en een aantal medegevangenen in een Duitse vrachtwagen geladen. De wagen was meer dan vol; de laatste "passagiers" werden er met geweerkolven ingeslagen! Het werd er al gauw zo benauwd, dat iemand een gat in het zeildoek sneed om meer lucht te krijgen. Iedereen dacht, dat de laatste reis begonnen was en dat ze allemaal gefussilleerd zouden worden.

Maar nee, ze werden naar het station in Groningen gebracht. Daar werden ze met gevangenen uit het Scholtenshuis overgeladen in veewagons en vervoerd naar Nieuwe Schans aan de Duitse grens. Tijdens de stop op het station hier vertelde een ambtenaar hen, dat na hun vertrek de rails opgebroken zou worden. Ze waren dus kennelijk het laatste transport, dat via Nieuwe Schans de dood tegemoet ging. Dit zouden ze niet overleven!

Met voor hen onbekende bestemming vertrok de trein. Ze kwamen aan in Bremen en gingen vandaar naar Wilhelmshafen, waar ze op 5 april met ongeveer honderd mannen aankwamen. De stad was door de geallieerden zwaar gebombardeerd, maar de haven met het vlak erbij gelegen kamp waren nog intact. De gevangenen werden hier ondergebracht in barakken, waarin al velen voor hen gehuisvest waren geweest. Hun eerste maaltijd was een verademing en bestond uit snert, waarin alles aanwezig was, wat er ook in behoorde te zitten.

De dag daarop werden ze aan het werk gezet. Ze moesten in de stad puinruimen, loopgraven aanleggen en bomen planten voor de camouflage van oorlogstuig. 's Avonds werd er verteld, dat via de radio was meegedeeld, dat Coevorden bevrijd was. Zouden de geallieerden dan toch nog op tijd komen om hen te redden. Er gloorde weer nieuwe hoop!

Op een morgen, voor ze naar het werk gingen, hield een Duitse officier een toespraak, waarin hij de mannen vroeg een formulier te tekenen. Hierin werd de vraag gesteld of men bereid was naar het concentratiekamp Bergen Belsen te verhuizen. Er werd gesteld, dat dit een veel mooier kamp was en het eten was er ook veel beter. De Duitsers werden in verband met de geallieerde opmars menselijker en probeerden met een zacht lijntje gevangenen te verplaatsen. Niemand in het kamp vertrouwde de zaak echter en dus werd geen enkele handtekening gezet.

Het eten werd slechter en volstrekt onvoldoende en de mannen leden honger en vermagerden zienderogen. Een "goede" Duitse bewaker probeerde op eigen gelegenheid nog wat eetbaars voor de gevangenen bij elkaar te krijgen, maar dat mislukte. Toen hielp Berend zichzelf maar. De bewaking was dusdanig verslapt en hij ging het kamp uit en slaagde erin een paar aardappelen te bemachtigen. Hij kookte ze op een vuurtje van bijeen gesprokkeld hout in een oude pan, die hij onder het puin gevonden had.

Een van de gevangenen vermagerde duidelijk minder. Dat kwam, omdat hij voortdurend op bezoek was naar iets eetbaars. Hij wist ook altijd wat te vinden. Zo liepen ze eens met de groep door de stad, toen hij plotseling een kelder indook. Hij kwam terug met twee pakken rijst en gaf er Berend ook wat van. Die nam het voedsel graag aan. 't Was eigenlijk wel gestolen, maar ja, honger is een scherp zwaard! Berend "pikte" hier en daar ook wel eens wat en haalde zelfs eens een stuk oud brood en een koolstronk uit een konijnenhok weg.

Onder deze omstandigheden was het geen wonder, dat veel mannen ziek werden. De kampleiding wilde die zieken wel graag kwijt en overwoog hen naar een schip in de haven te brengen. Met dat schip zouden ze naar huis gaan, zo werd gezegd, maar in werkelijkheid was het de bedoeling het op volle zee tot zinken te brengen. Het plan lekte uit en werd met veel moeite verhinderd. Dat de geallieerden steeds verder oprukten, bleef de kampbewoners niet onbekend. Het wachten op de bevrijding duurde echter lang, veel te lang. De vrees alsnog omgebracht te worden, was elke dag levensgroot aanwezig.

Op 7 mei, de Duitse capitulatie was toen al een feit, rukten Poolse troepen Wilhelmshafen binnen. Het kamp werd echter nog niet aan hen overgedragen, zodat de benarde positie van de gevangenen voortduurde. Wel kwamen er vijf Groninger verzetsmensen, die enkele leden van hun eigen groep aantroffen en meenamen naar Nederland. Berend en zijn vriend Rein Boerma wilden nu ook niet langer wachten. Ze negeerden de prikkeldraadafrastering en de schijnwerpers en kropen door een gat in de omheining naar de vrijheid. Een Duitse bewaker wilde hen nog tegenhouden, maar toen Berend met een dreigend gebaar maakte, ging hij ervandoor. Nu was het de beurt aan de Duitsers om bang te zijn!

Berend en Rein meldden zich direct bij de Poolse bevrijders in de stad en krgen van hen andere kleren. En natuurlijk, eindelijk, genoeg te eten. Op 15 mei werden ze met andere bevrijde gevangenen op Engelse legerwagens naar Enschede gebracht. Voor onderweg kregen ze van de Polen noodrantsoenen mee.

In Enschede werden ze ondergebracht in de fabriekshal van de BATA. Ze werden ontsmet en artsen kwamen hen onderzoeken. Verschillenden, waaronder Berend, hadden open wonden aan de benen tengevolge van honger en ongedierte.

Nu wilde Berend terug naar Dalerpeel, desnoods lopend. Gelukkig kwamen ze erachter, dat er een vrachtauto naar Slagharen zou gaan om de aardappelen te halen. Berend en zijn vriend mochten meerijden en kropen onder de lege zakken achter op de laadbak. Zo kwamen ze in Slagharen aan en liepen vandaar naar Dalerpeel, waar ze op 20 mei aankwamen.

Berend werd ontvangen als een verloren zoon. Hij was de laatste van het gezin, die thuiskwam. Op advies van de huisarts moest hij met zijn gewonde benen in de zon gaan liggen. Dat bleek een probaat middel te zijn. Dank zij de goede zorgen thuis kwam hij de doorstane ellende snel te boven.


.


Last update: 13-12-2007 by www.herdenking.nl