Van alles wat.
Plotseling komen drie zwaar bewapende Canadese jeeps vanaf de Hoofdstraat de Kruisstraat binnenrijden.

Er gebeurden in de oorlog ook wel eens leuke, opzienbare of heel gewone dingen.Zo vertelde Jan Knol, de broer van Alidus (hoofdstuk 3) eens het volgende:

Onze buren slachtten wel eens stiekem een varken voor een schipper, die 's avonds aanlegde en de volgende dag weer vertrok.Het gedode dier werd dan met behulp van kokend water geschrobd (van de haren ontdaan) in het stookhok. Als daar 's avonds de schoorsteen rookte, wist iedereen in de buurt, wat er gebeurde.Op een zomeravond lag de schipper weer bij de sluis en juist toen werden wij door de buren van de andere kant gewaarschuwd, dat er controleurs van de Algemene Inspektiedienst onderweg waren. Ik keek direct naar het stookhok van de buren en zag, dat de schoorsteen rookte.Ze waren weer aan 't slachten en moesten dus zo snel mogelijk gewaarschuwd worden.

Ik rende erheen en ja hoor, de buurman had het varken al bijna schoon.'t Moest onmiddellijk weg en samen laadden we het zware beest op een kruiwagen, waarna de buurman met de kostbare vracht pijlsnel in de op het land staande rogge verdween.Ik slenterde op mijn gemak weer naar huis en kort daarna was het gevaar geweken.Een hele tijd later kwam buurvrouw met een angstig gezicht bij ons of wij Jan ook gezien hadden.Hij was al drie uur weg!"Jawel!", zei ik, "ga maar een eind de rogge in.Daar vind je hem wel.Met het zwien!".

Tijdens de jaarwisseling zei men niet meer "Veel heil en zegen!" tegen elkaar, maar "Veel zegen en weinig heil!".

Bij oes in't darp haw een goeie kleermaker.Hij heette Willem en 't was een vernienig kereltien en fel anti (-N.S.B.). Zien overbuurman Jan was een goeie boer, maar van 't hantien! Hij verbouwde beste suukerbiet'n en doar kuj weer lekkere stroep van maak'n en met die stroep kuj van alles doen.Stroepkoek, stroepwafels en nog veul meer.

Maar Willem had gien suukerbiet'n. Dan moar op hoge bien'n hen Jan en vroagen."Dat kan wel!", zeg Jan. "Hier hej een schepelskurf vol!". "Wat kost mij die?", vreug Willem, "want ik wil ze wel betaol'n". Jan zeg:"Die kost jo niks.Alleen aj morg'n met 't emmertien melk hail'n giet hen oze buur'n en ik bin boet'n, zeg mij dan weer net as vrogger goeiendag!".

Jan, de postbode, was erg gezien en in de oorlog ook erg vaderlandslievend.Als hij met de post bij een familie kwam, waar feest gevierd werd, mocht hij altijd binnenkomen.Al gauw kreeg hij dan te horen: "Jan, kom d'r bij.Koffie heb je zeker al had, hé? Wij hebt nog een beettien jenever op de kop kunnen tikken. Wi'j een borrel?". Dat hoefde je tegen Jan maar een keer te zeggen.Hij wachtte tot hij er twee gehad had en stond dan op, nam de pet af, klom op een stoel en zong samen met de aanwezigen het Wilhelmus.De vrouw des huizes zei daarna altijd:"Jan, nou krijg je nog een en dan is 't gebeurd!".

Het kwam wel eens voor, dat Jan twee of drie festiviteiten per dag meemaakte.Dan kwam hij wat laat thuis en de dienstfiets week voortdurend bedenkelijk naar links en naar rechts uit.

Hendrik Kikkert, een broer van Berend (zie hoofdstuk 13), nam als sergeant deel aan de strijd bij de Grebbeberg. Hij overleefde gelukkig de gevechten en toen hij zich na de capitulatie in zijn toenmalige woonplaats Emmen meldde, zei de gemeenteambtenaar achter de balie:"U hebt wel geluk gehad, mijnheer Reinierse!".Kikkert keek verbaasd, maar liet het zo. Hij kreeg onder deze nieuwe naam identiteitspapieren en die kwamen hem uitstekend van pas, toen hij contactpersoon bij het verzet werd. Met de naam Reinierse als deknaam wist hij alle gevaren te doorstaan en werd, uiteraard onder zijn eigen familienaam, na de oorlog een bekend kamerlid.

Zaterdagmorgen 7 april 1945.Voor de veranda van hotel De Boer in de Kruisstraat spelen enkele jongens. Ze zijn toch maar naar buiten gegaan.Je kunt toch niet altijd binnenblijven, ook al is Dalen dan "niemandsland" tussen Canadezen en Duitsers geworden.En bovendien in het dorp zelf is al geen enkele Duitser meer te vinden.De bevrijding zal nu niet lang meer op zich wachten.

Plotseling komen drie zwaar bewapende Canadese jeeps vanaf de Hoofdstraat de Kruisstraat binnenrijden. Ze stoppen en de soldaten bestuderen een stafkaart.De jongens drommen nieuwsgierig om de jeeps heen en kijken hun ogen uit naar die mannen in vreemde uniformen en die wonderlijk auto's."Dat zijn nu Canadezen!", denken ze niet wetend, dat het in werkelijkheid Franssprekende Belgen zijn.Een paar soldaten roepen wat tegen hen in een vreemde taal.Ze worden wat vrijmoediger en gaan op de treeplanken staan.De Canadezen lachen en geven hen een paar stukken bittere legerchocola.Dan worden ze weggestuurd en de jeeps gaan verder.Na zo'n honderd meter stoppen ze opnieuw.Een man, een burger stapt in de voorste jeep en... weg zijn ze.De jongens proeven genietend van hun chocola.Wat een buitenkansje! Een onbekende lekkernij is het; ze hebben er misschien wel eens van gehoord, maar gegeten, nee!Ze spelen door, ook als er in de verte schoten weerklinken.Te ver weg om bang voor te zijn, concluderen ze.

Kort daarna komen de jeeps terug.Ze rijden deze keer door en de zwijgend toekijkende jongens zien op de motorkap van de eerste jeep een dode Duitser liggen.De tweede jeep vervoert, ook op de motorkap, een Duitse soldaat met zijn hoofd in verband.In de derde zit ogenschijnlijk een ongedeerde Duitser. De jeeps gaan rechtsaf, de Hoofdstraat in, terug naar Coevorden.De jongens staan even besluiteloos bij elkaar en spelen dan verder, zuigend op hun chocola.Het leven gaat door!

Kap Ensing, Tiens Gerrits, Willem Plas en Hans Brink, goede buren in de Westerwijk, besloten na enkele dagen niemandsland begin april 1945 eens een kijkje te gaan nemen in bevrijd Coevorden.Duitsers waren in geen velden of wegen meer te zien en ze hadden verder toch niets te doen.

Op hun klompen wandelen ze over de es en via het Huizingerstuk naar het bosje bij de watertoren.Ze waren er al vlakbij, toen er plotseling enkele Engelse jachtvliegtuigen laag over scheerden.Met een wijde bocht kwamen ze terug en ineens begonnen ze te schieten.Op hen!De Dalenaars zette het op een lopen, wilden over een sloot springen, maar zagen in hun haast de afrasteringdraad niet.Het gevolg was, dat ze er alle vier hals over kop intuimelden.Doodstil bleven ze liggen, tot ineens Hans Brink als een wilde met zijn handen in de wal van de sloot begon te krabben."Hans wat doej toch?", schreeuwde een van de mannen."Ik wil hen hoes!", riep Hans terug, "moar ik gao under de grond door!".Gelukkig kon hij gekalmeerd worden en na verloop van tijd wandelden de heren behoedzaam terug.Ze kwamen die dag niet in Coevorden.

Hendrik IJdens woonde met zijn ouders op de boerderij in de Kamp en werkte op de zuivelfabriek.Toen hij op zekere dag van zijn werk thuiskwam, vertelde zijn moeder, dat zijn vader en zijn broer Berend stiekem een varken aan 't slachten war bij buurman Jan.Hendrik besloot daarop de illegale slachters eens de schrik op het lijf te jagen.

Hij trok een lange overjas aan, zette een hoed en een bril op, nam een aktetas onder de arm en stak de weg over naar de buurman.Op de duistere deel liep buurvrouw Jantien wat zenuwachtig heen en weer. Ze moest waarschuwen, als er onraad was.Hendrik overrompelde haar totaal en ze kreeg geen kans om alarm te slaan.Stotterend en handenwrijvend gaf ze antwoord, toen de "controleur" vroeg, waar haar man was en wat hij uitvoerde.

Ineens hoorden de mannen in het stookhok naast de deel, dat er bezoek was.Buurman Jan raakte in paniek en fluisterde zijn helpers toe:"Pak het deksel van de stookpot, dan gooit wij 't swien doar in!".Met vereende krachten werd het varken in het kokende water gewerkt en op dat moment kreeg Jantien in de gaten, dat de man in de lange jas Hendrik was en dat er dus geen gevaar dreigde.

Volkomen overstuur barstte ze in snikken uit.De slachters, die nu ook ontdekten, dat ze beetgenomen waren, konden nog net op tijd 't varken uit de stookpot halen.

De zo gevreesde Groenen bleken ook wel over menselijke eigenschappen te beschikken.Op hun tochten door de gemeente kwamen ze ook in De Kamp, waar ze regelmatig twee "vaste" adressen, de familie Uneken en IJdens, bezochten.Bij 't eerst genoemde gezin was een onderduiker in huis, die echter nooit door hen werd ontdekt.Dat was ook geen wonder, want ze kwamen op "visite" en stelden dus geen onderzoek in. Omdat ze na de familie Uneken steevast de Ijdens bezochten, ging dochter Willempje voor alle zekerheid toch maar even waarschuwen, dat ze er weer waren.Dan kon er indien nodig, altijd nog iets geregeld worden.Toen de Duitsers dit waarschijnlijk doorkregen en Willempje verboden tijdens hun aanwezigheid het huis uit te gaan, werd als waarschuwingsteken een jutezak aan de schuur gehangen.

Bij de familie IJdens dronken de Groenen in de keuken op hun gemak surrogaatkoffie mee en ook pijp "eigenteelt" tabak werd met graagte aangenomen.Soms probeerden ze een boek te lezen, dat toevallig op de tafel lag.De familie deed haar best het hen naar de zin te maken.Wat moest je anders; alles was beter dan huiszoeking.

De Groenen hadden altijd een van hun herdershonden bij zich, die ook meegenomen werd de keuken in.De IJdens' hadden ook een hond, Tommie geheten, die niet zo groot maar wel dapper was.Toen een van de Groenen eens met de herdershond aan de lijn het varkenshok aan een nadere inspectie wilde onderwerpen, greep Tommie hem onverwachts van achteren aan.De Duitser gaf een schreeuw en dat was het teken voor de herder om Tommie te lijf te gaan.Er ontstond een wirwar van vechtende hondenlijven en Bertus Ijdens zag met schrik, dat Tommie aan 't kortste eind zou trekken."Hij maokt 'm dood!", dacht hij en hij begon om hulp te roepen.Zijn broer Hendrik stormde naar buiten en riep tegen de Duitser, die probeerde zijn hond weg te trekken:"Hol vast!", waarna hij de "agressor" uit alle macht tussen de achterpoten schopte.Dat hiel verbluffend goed!De herdershond kromp in elkaar en Tommie maakte zich jankend uit de voeten.

De Groenen namen voortaan bij hun bezoeken aan de familie IJdens een andere hond mee.Ze wilden de huiselijkheid in de keuken kennelijk niet missen. En, je moest er toch ook wat voor over hebben om "de vrede te bewaren!".

Jacob Eising uit Wachtum was als militair tijdens de mobilisatie ondergebracht in een veilinghal in 's Gravenzande.Hij had het er, gezien de omstandigheden, goed naar zijn zin en kwam in kontakt met de familie Metzon, een bakkersechtpaar.De verhouding werd zo hartelijk, dat de Metzon's verschillende keren een bezoek aan Wachtum brachten.

Kort na de Duitse inval werd Jacob's onderdeel ingezet in Rotterdam, waar het beruchte bombardement meemaakte.Na de capitulatie gingen de soldaten, in afwachting van groot verlof, weer terug naar 's Gravenzande.

De familie Eising in Wachtum verkeerde intussen in angstige spanning, want er kwam van Jacob maar geen bericht.Terwijl er zoveel anderen al wel op de hoogte gesteld waren!Toen de ongewisheid maar voortduurde, besloten Jacob's verloofde Hennie, zijn zuster Annie en haar verloofde Kars dan zelf maar op onderzoek uit te gaan.Omdat de IJsselbrug bij Zwolle vernield was, waren de treinverbindingen met Drenthe uitgevallen en dus besloot het drietal het eerste deel van de tocht naar het westen per fiets te maken.

Ze kwamen behouden in Zwolle aan en gingen met een pont de Ijssel over.In Hattemerbroek stapten ze op de trein naar Den Haag; de fietsen gingen uiteraard mee.De reis verliep zonder noemenswaardige voorvallen en nu werd de toch per rijwiel voortgezet naar 's Gravenzande.De familie Metzon wist ook nog van niets en samen gingen ze naar de veilinghallen, waar Jacob's onderdeel nog steeds gelegerd was.Hier hoorden ze, dat hij door een granaatscherf aan het been getroffen was en opgenomen in ziekenhuis in Rotterdam.Dus werd koersgezet naar Maasstad.Hier bleek hij echter, in verband met de vele bombardementslachtoffers al uit het ziekenhuis ontslagen te zijn en tijdelijk ondergebracht bij een slagersgezin.Daar, boven in een logeerkamer, vond dan eindelijk de hereniging plaats.De verloren zoon was teruggevonden.

Op een vroege morgen in 't voorjaar van 1945 waren Jo Kannegieter en zijn zwager Geert Keen bij hun boerderij aan de Eldijk bezig water te putten voor de opstal staande koeien.Plotseling zagen ze een Duitse munitiewagen vanuit richting Dalen komen, die toen hij vlakbij was, belaagd werd door een Engels jachtvliegtuig.Om te voorkomen, dat de wagen door een treffer ( met alle gevolgen van dien!) zou ontploffen, gooiden de zwagers in allerijl de baanderdeuren van de grote schuur open.De Duitse chauffeur begreep de wenk en reed snel de beschuttende ruimte binnen.

De Engelse piloot gaf nu de boerderij de volle laag.De familie, gelukkig op tijd uit bed, vluchtte met de enkele weken oude baby in de aardappelkelder.Dat redde hen het leven, want het woongedeelte werd doorzeefd met kogels.Van het ledikantje van de driejarige Harm werd een poot volledig afgeschoten. Gelukkig lag het kind er niet in.Harm was in allerijl bij Opoe, die niet meer zo vroeg opstond, in de bedstee gelegd en dat bleek ook een veilige plaats.

Toen de Engelse jager tenslotte afdraaide, kwam de familie lijkbleek weer te voorschijn.De onbeschadigde Duitse munitiewagen zette zijn reis voort en de zwagers konden op het land "de hulzen bij elkaar vegen!". Nu nog zijn sporen van beschieting aan de boerderij zichtbaar.

Bij beschikking van de Commissaris-Generaal voor de Openbare Veiligheid van 22 juni 1942 moesten alle Joodse landgenoten hun fietsen inleveren.Twee dagen later brachten Izak Bierman, David Bierman en Hartog Zilverberg twee damesrijwielen, drie "Heerenrijwielen en twee heerenrijwielen (transport)" naar het gemeentehuis.In de beschikking stond o.a. de volgende bepaling:"Mochten rijwielen worden aangeboden, welke reparatie behoeven, dan dienen deze reparaties onverwijld op kosten van den Joodschen eigenaar te worden uitgevoerd!".

Tot P.B.H., plaatselijke bureauhouder, was in Dalen aangesteld de heer W.Caspers, die kantoor hield aan de Emmerweg.Vier personen, waaronder eerder genoemde Hans Brakel, waren hier werkzaam.De P.B.H. hield toezicht op de levende have van elke boer; aan- en verkopen en slachtingen moesten hier gemeld worden.

Het kantoor van de P.B.H. vormde, met de eraan verbonden controleurs, eigenlijk een kleine verzetshaard. Alleen als men er niet onderuit kon, werd er vee of vlees in beslag genomen.Praktisch alle slachtingen werden in goed overleg tussen boer, controleur en P.B.H. "geregeld" en nooit werden bijzonderheden naar buiten gebracht.Dat kon lang niet van alle P.B.H.'s in Drenthe gezegd worden!

Begin 1944 werd door de Duitsers een grootscheepse paardenvordering voor de Wehrmacht gehouden.Iedere boer moest met zijn dieren bij Hotel De Boer verschijnen, waar een Duitse majoor met enige ondergeschikten de bruikbare exemplaren uitgezocht en ook de prijs bepaalde.Dat een aantal dieren, die in eerste instantie waren goedgekeurd, uiteindelijk toch werden vrijgesteld, is met grote waarschijnlijkheid te danken aan de pleidooien va de P.B.H Willem Caspers.Hij offerde de majoor meerdere cognacjes (ongetwijfeld met hulp van Mans de Boer!), waardoor deze in een toegeeflijke stemming raakte en ook niet meer precies wist, hoeveel paarden hij nu eigenlijk moest hebben.

Op Dolle Dinsdag (5 september 1944) vluchtten ongeveer veertigduizend N.S.B.ers gepakt en gezakt in paniek naar Duitsland, waar een groot deel van hen werd ondergebracht in evacuatiekampen in Luneburg. De behandeling door de Duitse vrienden liet echter zeer veel te wensen over en na verloop van tijd kwamen veel vluchtelingen weer de grens over.Hier werden ze opgevangen door de plaatselijke N.S.B. afdelingen.

Ook in Dalen ontfermden de N.S.B.ers zich over de zogenaamde "Luneburgers".Ze kwartierden hen in bij de burgers, die noodgedwongen ruimte beschikbaar moesten stellen.De Luneburgers hadden het ook hier niet best.Eigenlijk werden ze door iedereen veracht; ook door de N.S.B.ers zelf.

Na de bevrijding werden de Luneburgers door de B.S. opgesloten in de Openbare school in Dalen.Harm Brands, die hier regelmatig op wacht stond, kreeg eens te maken met een ontsnappingspoging.Er kwam ineens een vrouw naar buiten, die zo maar door wilde lopen.Harm richtte zijn geweer op haar. "Je schiet me toch niet dood, he?", vroeg de vrouw onzeker.Harm schudde zijn hoofd en zei:"Nee, daar ben je te slecht voor!".Hij haalde de patronen uit zijn geweer en toen de vluchtelinge hierdoor weer moed kreeg, porde hij haar niet zachtzinnige met de loop de school weer in.

Soms gingen de haatgevoelens wel erg ver.Toen een jonge moeder haar kind buiten in een kinderwagen in de zon wilde zetten, werd ze teruggestuurd met de boodschap de kleine maar stro te laten eten. Dat kon Harm Brands toch niet aanzien.Hij liet de vrouw naar buiten komen en zei:"Je zoekt de beste plaats maar op.En dan naar binnen!Ik sta er borg voor, dat het kind niets overkomt!". En zo gebeurde het.

Hennie Mepschen, geboren op 4 juli 1935, groeide als nummer elf op in een boerengezin met dertien kinderen in de De Veenhuizen.Achteraf heeft ze grote bewondering voor haar moeder, die in de oorlog niet alleen zorgde voor het gezin, maar ook nog voor etenhalers en onderduikers.De afgelegen buurtschap van maar enkele boerderijen was een ideaal toevluchtsoord voor mensen in nood.Als Hennie 's avonds thuiskwam van school, moest er door alle kinderen een melkemmer van vijftien liter "volgeschild" worden met aardappels.De tijd werd gekort met het zingen van schoolliedjes, want de Mepschen's waren een levenslustig volkje.Toch was er vaak angst.Een van de zoons, Tieme, was ondergedoken in Nieuwlande, maar kwam nogal eens naar huis.En dan waren er ook nog wel andere schimmige figuren, die er ineens waren en ook weer plotseling verdwenen.

De boerderij werd af en toe ook "aangedaan" door de Groenen, die eens vader Mepschen wilden meenemen. Moeder, die niet bang was, verklaarde haar man niet te kunnen missen in het grote gezin.De Duitsers, toch onder indruk van haar vastberadenheid, namen genoegen met een stuk spek en vertrokken.Een andere keer werd de boerderij overvallen door landwachters, die op zoek waren naar Tieme.Ze vonden hem niet en verhoorden vervolgens alle kinderen een voor een, maar zelfs het jongste wicht hield de tanden op elkaar. De meeste angst heeft Hennie ondervonden, toen ze gedurende een aantal dagen alleen naar school moest. Er was een afdeling Duitse soldaten in het gebouw ondergebracht en de lessen werden tijdelijk gegeven in het catechiseergebouw bij de pastorie.Elke klas moest een dag per week naar school en dus liep Hennie helemaal alleen naar Dalen.Voortdurend op haar hoede; om half acht van huis en om half zes weer terug!Als er vliegtuigen overkwamen, was ze zo bang dat ze in de sloot langs de weg kroop en daar bleef tot ze verdwenen waren."Ik kan 't me nog als de dag van gisteren herinneren!", zegt ze nu nog.

Gedurende de laatste jaren van de oorlog wierpen geallieerde bommenwerpers op hun thuisvluchten vaak brandstoftanks af.De toestellen werden dan lichter en konden hun snelheid opvoeren.Behalve op 24 maart in Wachtum veroorzaakten de neervallende tanks geen ongelukken. Voor de vinders betekenden ze vaak een buitenkansje.De nog aanwezige kerosine werd gebruikt als oplosmiddel voor reepjes spekzool van pantoffels en sloffen.Hierdoor ontstond een kleverige stof, die gebruikt kon worden als solutie om fietsbanden te plakken.Niet alle gebruikers waren even enthousiast, want de afdekkende laagjes lieten nogal eens los.Voor hen, die geen luchtbanden meer bezaten, waren de rubber strips op de tanks een uitkomst.Je kon er heel goed massieve fietsbanden van maken en die raakten nooit lek.Ook sommige kwajongens vermaakten zich uitstekend met de twee meter lange, ovaalvormige voorwerpen, ze hadden ontdekt, dat een in de lengte doorgezaagde tank heel goed als bootje gebruikt kon worden.Als het flink geregend had, stond de Keuterbrink nogal eens onder water en daar was het dan goed varen.Ook op andere plaatsen natuurlijk!

In de Daler kerkbode van 8 mei 1945 schreef dominee Rensink o.a.:

"Het is acht Mei, vrienden, de dag, waarop officieel het einde van den oorlog in Europa zal worden afgekondigd.Het is niet te geloven, dat het nu op eenmaal voorbij is, en dat het leven na verloop van tijd weer zijn normalen gang zal kunnen gaan.

Wat ging het tenslotte nog vlug in zijn werk!Het is nog maar zes weken geleden, dat de overtocht over den Rijn, het begin van het einde, plaats vond.Het was Zondag 8 April, dat wij niemandsland waren, gevechtsterrein dus, en dat slechts 64 personen het waagden, den kerkdienst, bij te wonen.De week daarop hielden wij voor een volle kerk onze bevrijdingspreek;Zondag 6 Mei de Dankstond, omdat nu heel Nederland van den geesel van den oorlog is verlost.

Een schaduw ligt op onze vreugde, en dat is,dat vele families lijden onder noodzakelijke maatregelen der regering tegen hen, die in bezettingstijd met den vijand hebben samengewerkt. Zij boeten voor de fouten van het verleden.Waar was voor den oorlog onze vaderlandseliefde?"

Waar je het goed hebt, daar is je vaderland" zei het valsche spreekwoord. En verleid door het zoete gefluit van den vogelaar, verblind door de beloofde bergen van een gouden toekomst, hebben ze van verre of van dichtbij "de nieuwe tijd" aanvaard, en velen beseften het niet, dat zij daarmee hun vaderland verrieden.En dat zij door hun meewerkende houding ook al de afschuwelijke terreurdaden van den overweldiger, al de moorden, de vervolgingen, de diefstallen, mee voor hun verantwoording namen.

Groot is de lijst der doden, die in de afgelopen weken van ons zijn heengegaan. Slachtoffer van hun bereidheid tot helpen bij den brand werden Hendrikus Hilbrands Gzn., die ouders en bruid en Gerrit Grootoonk, die geheel gezin in verslagenheid achterliet.En evenals door dit sterven, werden wij ook alleen geschokt door de tragische dood van commies Wilke Bloem, commandant der P.B.S., die na een paar vermoeide dagen op den morgen der officieel bevrijding, door een ongeluk met zijn schietwapen om het leven kwam.Hij was een goed mensch en een vroom Christen; en dat laatste is de groote troost voor zijn gezin, dat hij achter moest laten: zij zijn niet zonder hoop!".


Last update: 24-02-2008 by www.herdenking.nl