De Todt
Naar schatting kwamen er driehonderd opdagen.

Het was najaar 1944. De Geallieerden waren in Normandie geland en trokken steeds verder Europa binnen. Hoewel de Duitse propaganda de terugtocht van de Hitlerlegers trachtte te verdoezelen door in de voorlichting te spreken over consolideren van posities of het betrekken van nieuwe stellingen, hield men er toch al rekening mee, dat de geallieerde opmars niet te stuiten zou zijn.

De Duitsers begonnen nieuwe verdedigingslinies aan te leggen, zoals bijvoorbeeld in Smilde. Hier werd een grote tankval, een soort sloot gegraven, die gelijkvloers een breedte had van vier meter, drie meter diep was en op de bodem dertig centimeter breed. De tankval moest de opmars van de geallieerden afremmen of zo mogelijk stoppen. Graafmachines kende men nog niet en het hele projekt moest dus met de hand worden aangelegd. Hiervoor werden Nederlandse mannen opgeroepen, die niet in dienst waren geweest. De meesten van hen waren niet ouder dan zeventie of achttien jaar.

Ook in Dalen werden mannen opgeroepen zich te melden bij de boerderij van Albert Kip (Kips Ab) aan de Hoofdstraat, waar nu het winkelcentrum is. Naar schatting kwamen er driehonderd opdagen. Men durfde niet te weigeren of onder te duiken uit angst, dat een huisgenoot dan opgepakt zou worden. Onder de aanwezigen heerste een gedrukte stemming, omdat men de reden van de oproep niet kende. Iemand, die in de deur van het gemeentehuis stond, las een verklaring voor, dat men op bevel van de bezetter opgeroepen was om in Smilde graafwerk te verrichten voor de aanleg van een tankval. Voor velen was dit een geruststellende mededeling. Het doel van de oproep had beroerder kunnen zijn!

De namen van de uitverkorenen werden daarna voorgelezen. Allen moesten zich de volgende dag om tien uur bij de tramhalte melden en een schip en een deken meenemen. Ook een fiets werd toegestaan. De volgende morgen werden manschappen en fietsen in de tram geladen en werd de toch nog min of meer ongewisse reis aanvaard, richting Assen. Jan Hammink Voors had de avond ervoor nog gauw twee houten koffers gemaakt; een voor zichzelf en een voor zijn oom Harm Veldhuis, om wat kleren en extra benodigdheden mee te nemen.

De reis naar Assen verliep vlot en zonder noemenswaardig voorvallen. In Assen werden de mannen gelast zich in rijen op te stellen als in het gelid marcherende militairen. Ook zij die een fiets hadden meegenomen, moesten lopen. De Dalers, die goed met elkaar overweg konden of familie van elkaar waren, bleven zoveel mogelijk samen om wat steun en bescherming te vinden. De mars naar Smilde werd niet zonder angst en vrees afgelegd, omdat het niet denkbeeldig was, dat overvliegende "Tommies" (Engelse vliegtuigen) zo'n grote groep marcherende mannen zouden beschieten. De lucht was echter bewolkt en er werd geen vleigtuig gehoord of gezien.

De dwangarbeiders werden tijdens de mars begeleid door gewapende Duitsers in geelachtige uniformen met op de revers een hakenkruis en de naam "Todt", afkorting van "Organisation Todt".

In Smilde werden de mannen in groepen verdeeld en ondergebracht bij dorpsbewoners. Onze groep vond onderdak bij boer Drenten, een N.S.B.er. Zijn vrouw was niet zo politiek geinteresseerd en stond toe, dat de mannen naar de radio luisterden. Ze had niet door, dat de Engelse zender voortdurend aanstond, omdat ze geen Engels kende. Toen haar man het spelletje door kreeg, was het gauw gebeurd met de luistervrijheid. In het vervolg werd de radio nog wel aangezet, maar het moest veel voorzichtiger aangepakt worden. De legering was redelijk goed. Op de vloer van de stal en in de grup was een laag stropakken neergelegd, waarop het onder de eigen deken goed slapen was. Na vaak toch wel even aan thuis gedacht te hebben kwam de slaap al gauw over de vermoeide lichamen. Spitten was voor niemand een alledaags werk. In het begin werd er zo maar wat gegraven en 's avonds zag je wel, hoever je gekomen was. Na een tijdje werd echter bevolen, dat een groep van acht mannen per dag twee meter in de lengte moest spitten. Als dat klaar was, mocht men vrij nemen. De tankval liep van Smilde naar Witten.

Het werk gebeurde steeds onder toezicht van soldaten van de Todt. 's Morgens werd appel gehouden, waarbij de oppassers alle namen afriepen. Dan moest met "ja" geantwoord worden als bewijs aanwezig te zijn. als iemand een zonder toestemming een dag naar huis was, riep een van zijn vrienden wel "ja". Van elke aanwezige werd een aantekening gemaakt, ook voor de uitbetaling van loon. Wie er niet was, kreeg geen geld. Eens per week moest Albert Naber de lijsten met namen naar een bureau in Smilde brengen. Van hieruit werd de wekelijkse betaling van vijf gulden per dag geregeld.

De tankval werd recht toe recht aan gegraven. Dwars door de aardappelen, bieten of welk gewas er ook maar op het land groeide. Op de door de bezetter betaalde vergoeding voor de aangebrachte schade viel echter niets aan te merken. Het uitgegraven zand mocht niet op een hoop blijven liggen, maar moest over het land verspreid worden. Het spreekt vanzelf, dat er bij elke groep spitters wel enkele personen waren, die nog nooit een schop of spade gehanteerd hadden. Dat was bijvoorbeeld het geval met de heer De Muinck Keizer, eigenaar van een fabriek in Coevorden. De groep was echter wel zo solidair om het werk van deze mensen erbij te doen. De beste spitter waren zij, die vroeger bij de werkverschaffing hadden gewerkt. Soms werd, om even te kunnen uitrusten, een zitplaats in de wal van de tankgracht gegraven.

Met de meeste Duitsers was het goed om te gaan. Velen van hen waren gedwongen militair te worden zonder het met de nationaal-socialisten eens te zijn. Een Duitser was "een kreng". Je kon hem door zijn geschreeuw al vanuit de verte aan horen komen en om nog meer indruk te maken, schoot hij soms over de hoofde van de werkers in de lucht. Hij droeg een uniform met het onderscheidingsteken van de vliegeniers.

Het ontbijt bestond uit zuur brood. Dit was te koop in de gaarkeuken, evenals vele andere artikelen. Vaak moester er distributiebonnen bij ingeleverd worden. Het middagmaal werd klaargemaakt in de plaatselijke zuivelfabriek, in melkbussen door boeren op een wagen naar het werkterrein gebracht en in blikjes aan de spitters uitgedeeld. De boeren werden tot dit werk gedwongen, maar ze kregen er wel een vergoeding voor. De bezetter drukte net zoveel bankbiljetten als hij nodig had, zonder op de gevolgen te letten. Geld genoeg dus!

Voor het werk in de keukens waren meisjes opgeroepen en ook Harry Veurink werkte daar. Er waren ook wel kontakten tussen deze meisjes en de arbeiders aan de tankval. Eens toen Albert Naber en Jan Hammink Voors tijdens het werk drinkwater van de fabriek moesten halen, waren de meisjes bezig worteltjes te schrapen. Na wat heen en weer gepraat, begonnen de dames plagerig met wortels naar de jongens te gooien. Op dat moment konden de belaagden niets terug doen, maar of ze 's avonds verhaal zijn gaan halen, willen ze nu nog niet vertellen. Maar men was jong en probeerde van de nood een deugd te maken. Afwisseling was altijd welkom en daarom gingen verschillende Daler meisjes ook wel bij hun vriend in Smilde op bezoek, op de fiets!

Een paar dagen na zijn aankomst in Smilde werd Harm Veldhuis door burgemeester Ten Holte als tweede verbindingsman in Dalen aangesteld. Nu was hij tot zijn grote opluchting vrijgesteld van het graven en moest zorgdragen voor de kontakten tussen de spitters en de burgemeester en ook tussen de spitters en de Duitsers. Dat laatste was soms lastig, omdat hij slecht Duits sprak. Na korte tijd werd hij eerste verbindingsman, omdat zijn voorganger uitviel. Nu moest hij ook bemiddelen bij het aanvragen van ontslag voor jongens, die thuis slecht gemist konden worden. Daarvoor moest een formulier op gemeentehuis worden ingevuld en naar het Parkhotel in Assen gebracht. Bij accoordbevinding werd het papier afgestempeld en dan moest het ingeleverd worden bij een Duitse instantie in Smilde. Hier wilde men nog wel eens vervelend doen, maar na wat aandringen en met behulp van een sigaar of iets dergelijks was er altijd wel iets te regelen. Jan Vleems zorgde uit eigen voorraad voor de sigaren.

Boeren werden het gemakkelijkst vrijgesteld, omdat zij voor de voedselvoorziening werkten , maar voor timmerlieden bijvoorbeeld werd een aanvraag altijd geweigerd. Om allerlei redenen werd wel eens vrij gevraagd. Zo mocht Willem Hegen uit Wachtum een dag naar huis, omdat er een varken geslacht moest worden. Klandestien waarschijnlijk, maar dat werd niet op het formulier ingevuld. Na ongeveer zes weken gingen alle Daler jongens weer naar huis. Ze werden afgelost door mannen uit andere dorpen. Een persoon kwam niet vrij. Hij werd echter geruild voor een Fransman, die door de Grune Polizei in Dalen was opgepakt. Onderduikers wilden nog wel eens graag in Smilde blijven. Ze voelden zich hier min of meer veilig en kregen redelijk goed te eten.

Uiteraard werde ook op andere plaatsen Dalenaars ingezet en aan het eind van de oorlog zelfs in het eigen dorp. In het voorjaar van 1945 werd Harm Veldhuis bij de burgemeester ontboden, die hem vertelde, dat er de volgende morgen honderd mannen beschikbaar moesten zijn om schuttersputjes te graven in de buurt van de Reindersdijk.

Harm moest deze mensen oproepen, maar hij voelde daar niets voor en weigerde. De burgemeester, bang voor repressailles als hij de mannen niet bij elkaar kreeg, slaagde er in gemeentewerker Evert Wesseling en de vrijwillige brandweer over te halen die taak op zich te nemen. In Wachtum gingen hiervoor de politieagent Blouw en Bertus Hilbrands op pad.

De opgeroepen mannen moesten gaten spitten van anderhalf tot twee meter lengte, waarin een soldaat kon liggen. Deze soldaten zouden dan bewapend kunnen worden met pantservuisten, een vuurwapen, waarmee tanks en pantserwagens onschadelijk gemaakt werden.

Niet allen, die opgeroepen waren, kwamen opdagen. De bevrijders waren immers al in de buurt! Wel waren o.a. aanwezig dominee Rensink en alweer de heer De Muinck Keizer. 't Waren niet de beste spitters! Tot grote ergernis van de Duitse bewakers beweerde de dominee steeds maar weer dat hij geen Duits verstond en dus niets van de opdrachten begreep. Een deel van de mannen moest zoden steken, die van schop tot schop werden doorgegeven en daarna opgestapeld werden. Om niet te veel op te vallen vroeg Rensink, die eigenlijk niets deed, hem af en toe ook een zode te geven.

Omdat de bevrijders steeds dichterbij kwamen, weigerden steeds meer mannen te werken en verscholen zich in het bosje op de Rikkast, de huidige Huttenheugte. Toen Coevorden bevrijd was, ontstond er een chaotische toestand. Ook de Duitsers geloofden nu niet meer in het nut van de schuttersputjes en deden niets meer om de weglopers tegen te houden. De hele operatie verliep en ging als een nachtkaars uit. Het was de laatste stuiptrekking van het dwangsysteem van de bezetter.


Last update: 10-02-2008 by www.herdenking.nl