In en rond de Pastorie
De pastorie stond open, ook en juist voor vervolgden.

Evangelist Nijen Twilhaar had een voorbeeldfunktie in Dalerpeel en dat gold ook voor zijn kinderen. Henk, zijn oudste zoon, merkte dat terdege. Als hij stiekem een fietsband leeg liet lopen, was dat veel erger dan dat een ander dat deed! Henk werd er geen braaf jongetje door, maar hij moest er wel voortdurend rekening mee houden. Voor de jongens uit het dorp speelde zijn afkomst gelukkig geen enkele rol. Behalve dan als ze ruzie met hem hadden, want dan scholden ze hem bij voorkeur uit voor "blikken dominee"!

Vader Nijen Twilhaar was een rechtgeaard Calvinist, die op zijn manier toch wel ruimdenkend was. Zijn vier kinderen behoorden uiteraard op zondag de kerk te bezoeken, maar een keer vond hij toch wel voldoende. Moeder was een blij en opgewekt Christen. Zij leidde de meisjes- en vrouwenvereniging en liet bij voorkeur de liederen uit de bundel van Johannes de Heer zingen. Voor haar was het evangelie echt de blijde boodschap en dat heeft ze met woord en daad uitgedragen.

Moeder Nijen Twilhaar vond ook, dat de pastorie dag en nacht voor noodlijdende medemens open moest staan. Dat was dan ook letterlijk het geval. Het is wel eens voorgekomen, dat een man, die om een uur of vier 's nachts de voorganger wilde spreken, in het pikkedonker in de kamer heer en weer liep te ijsberen. Al hoesten en kuchend in de hoop de familie zo wakker te krijgen. Dat gelukte hem dan ook en "dominee" kon tijdens een lang gesprek de zo nodige geestelijk bijstand verlenen.

De pastorie stond open, ook en juist voor vervolgden. Verzetsmensen en onderderduikers waren welkom en in opperste nood beschikte men ook over een geheime schuilplaats. Onder de preekstoel in de kerk, te bereiken door in een bergkast een losse vloerplank op te lichten. Nijen Twilhaar kreeg al gauw kontakten met verzetsgroepen. Willem Mol, Hendrik Smilde en ook Hendrik Kikkert, die toen in Emmen woonde, waren directe contactpersonen, die regelmatig over de vloer kwamen. Eens werd hij door "de Duitsers opgehaald". Achteraf bleken dat Mol en nog iemand te zijn, dien in uniform hem zogenaamd arresteerden.

Anderzijds had Nijen Twilhaar ook contact met de Duitse bezettingsautoriteiten en de marechaussee in Coevorden, die hij bezocht om voor de belangen van zijn gemeenteleden op te komen. Alle vervolgden waren welkom en voor ieder van hen stond hij klaar. 't Was dan ook geen wonder, dat de kinderen voortdurend op het hart gebonden werd niets te zeggen over wat er zich thuis afspeelde.

Toen de Duitsers maatregelen tegen de Joden begonnen te nemen, kwam er al spoedig een vreemde man in huis. Oom Gerrit werd hij door de kinderen genoemd. Ze wisten dat hij van Joodse komaf was en dat hij had moeten vluchten. Oom Gerrit voelde zich al spoedig thuis in Dalerpeel. Vaak ging hij op bezoek bij de familie Hoogeveen, waar tante Ammy en tante Loes met hun kinderen ondergedoken waren. Henk wilde in die tijd graag een hond hebben, maar zijn moeder praatte hem dat idee uit zijn hoofd. Oom Gerrit was bang, dat het dier hem zou volgend, als hij zich voor de Duitsers moest verstoppen, zei ze. Later, na de oorlog, zo had oom Gerrit beloofd, zou Henk een Duitse herder van hem krijgen.

Achter in de turfschuur bij de kerk hield Nijen Twilhaar stiekem een varken. "Adolf" noemde Gerrit het dier, want het ging onafwendbaar zijn einde tegemoet. Een enkele keer soms zelfs vrij plotseling. Toen eens tijdens de zondagmorgenpreek voorganger Nijen Twilhaar even stokte, was er plotseling het geknor van een varken in de kerk te horen. De kinderen in de "domineesbank" lachten verstolen en ook vader op de kansel kon een glimlach niet onderdrukken. Toen hij na de dienst thuiskwam, zei hij:"Hebben jullie 't ook gehoord? Nou gaat 'ie eraan!".

De volgende morgen werd het varken geslacht. Buurvrouw Hartemink kwam helpen en tegen een uur of twaalf hing het achter de pastorie aan de ladder. De familie moest toen gaan eten. Het varken kon echter niet zonder toezicht blijven en dus werd het met vereende krachten met ladder en al de kerk ingedragen en tegen de kansel aangezet. Het gezin zat net aan tafel, toen ineens buurvrouw Hartemink binnenkwam. "Er is een man met kaplaarzen de kerk binnengegaan!" meldde ze. Nijen Twilhaar ging onmiddelijk poolshoogte nemen en ja hoor, daar stond een vreemde man vol belangstelling naar het varken te kijken. Op de vraag wat hij hier kwam doen, draaide hij zich om en zei:"Ik kom de kerk bezichtigen!". Dat was nog nooit gebeurd en dus vroeg evangelist, wie hij dan wel was. "Dat zeg ik u nooit!", antwoordde de vreemdeling. "Maar als u het niet vertrouwt, kunt u iemand in De Krim opbellen". En hij gaf een naam en een telefoonnummer op. Om een eventuele diefstal van het kostelijke varken te voorkomen, deed Nijen Twilhaar de deur op slot en ging naar huis. Daar draaide hij het opgegeven nummer en hem werd uitdrukkelijk verzekerd, dat de man in de kerk "goed" was. De vreemdeling werd weer vrijgelaten. Hij verdween en niemand van de familie zag hem ooit terug. Opmerkelijk was wel, dat er diezelfde middag een razzia door de Duitsers in het veld gehouden werd. De daar verblijvende onderduikers ontkwamen echter allemaal. Misschien zat de man in 't verzet en had hen laten waarschuwen?

Vader Nijen Twilhaar werd kort hierop ook door het verzet gewaarschuwd. De verblijfplaats van oom Gerrit was verraden en hij moest onmiddelijk het huis uit. Een neef uit Nijverdal, lid van de verzetsgroep, kwam in een Duits uniform op een motorfiets naar Dalerpeel om hem te halen. Toen gebeurde er iets onvoorstelbaars. Oom Gerrit verklaarde alleen maar te willen vertrekken, als ook tante Loes met hem mee zou gaan. Daar was natuurlijk geen spraken van en toen hij zijn zin niet kreeg, zei hij:"Als ik 't eind van de oorlog dan niet haal, dan meneer Nijen Twilhaar ook niet!". 't Scheelde weinig of er had zich een drama afgespeeld. Als Nijen Twilhaar ern niet tussen gesprongen was, had de neef de Joodse onderduiker ter plekke neergeschoten.

Oom Gerrit was nu een regelrechte bedreiging voor de familie geworden. Nog diezelfde avond werd hij gedwongen te vertrekken naar een afgelegen boerderij, waar twee ongetrouwde broers wooonden. Hier werd hij dag en nacht in de gaten gehouden en "haalde hij 't eind van de oorlog!". Na de bevrijding kwam hij nog een keer terug. Om een achtergelaten koffer op te halen.

De schrik zat er na 't gedwongen vertrek van oom Gerrit goed in. Het hele gezin dook onder en vond onderdak bij de spoorwegman Hilberink in Coevorden. Van maandag tot zaterdag! Langer kon niet, want "pappa" kon de gemeente toch niet in de steek laten! En dus stond hij de zondag daarop weer op de kansel. Maar het verraad had zijn werk wel gedaan. Kort hierop deden de Groenen, vergezeld van een herdershond, een inval in de pastorie. Pappa was op huisbezoek en de Duitsers onderzochten grondig het hele huis. Moeder bleef erg ontspannen. Oom Gerrit was immers net op tijd weg! Dat was zo'n opluchting, dat ze er geen moment aan dacht, dat in de consistorie de radio, waar Joden en verzetsmensen regelmatig naar luisterden, verborgen was. "Mag ik die hond wel iets geven?", vroeg ze poeslief aan de Groenen. Dat brak de spanning. De Duitsers weren ineens inschikkelijk en vertrokken tenslotte zonder iets gevonden te hebben.

"Vader is op huisbezoek!". Dat was het antwoord, dat de kinderen altijd moesten geven, als onbekenden naar hem vroegen. Een antwoord, waar ze al heel snel mee leerden leven. Ook al omdat ze deze mededeling wel eens moesten gebruiken om mensen te waarschuwen. Dan stuurde vader Nijen Twilhaar ze naar een bepaald gezin, waar ze alleen maar moesten zeggen:"Pappa kan niet op huisbezoek komen!". Er werd nooit nader gevraagd, want ingewijden wisten, wat dit zinnetje betekende.Maken dat je wegkwam!

Tweemaal in de week, haalden de kinderen om de beurt melk bij boer Holwarda. Henk trok er elke dag op uit om paardebloemen te steken voor de konijnen. Natuurlijk was er ook tijd om te spelen en dat deed hij bij voorkeur met zijn vriend Jan Nico Scholten. Ze haalden vaak kattekwaad uit. Toen ze eens op een avond ruitje gingen tikken bij boer Albert Hartemink, kwam deze naar buiten stuiven en kreeg Jan Nico te pakken. Die kreeg een ""goed pak op zijn ribben", want Hartemink was een felle! De jongens namen het, zoals het kwam. 't Was tenslotte verdiend! Maar dat Hartemink ongewoon agressief reageerde, toen ze eens elk een voederbiet mee wilden nemen uit de bult achter de kerk, vonden ze onbegrijpelijk. Tot ze er in januari 1945, bij zijn arrestatie, achterkwamen, dat er wapens in verborgen zaten.

Kort na deze voor Dalerpeel zo schokkende gebeurtenis vond er 's nachts een razzia plaats. De overvallers drongen ook de pastorie binnen. Henk en zijn broertje Frits lagen bij elkaar op een kamer en werden wakker door het geluid van harde stemmen. Ze moesten zich slapend houden, als er iets gebeurde, had pappa gezegd. Dat deden ze dan ook, toen er voetstappen op de trap klonken en een man hun kamer binnenkwam.

Hij bescheen hen met een "knijpkat", een zaklantaarntje met handbediende dynamo, doorzocht de kasten en ging weer weg. Toen het stil werd, kwamen ze uit bed en keken naar buiten. Daar zagen ze op het pleintje voor de kerk een groep mannen met de handen omhoog staan, omringd door een groot aantal geuniformeerde overvallers met het geweer in de aanslag. Met bonzend hart en doodsbenauwd slopen ze de trap af naar de slaapkamer van hun ouders. Daar zat mamma in bed, met hun zusje Annie en Olda de Man, die in de hongerwinter uit Gouda in huis was opgenomen. Pappa was weg!

Korte tijd later werd er op het raam van de slaapkamer getikt en de stem van Nijen Twilhaar riep:"Vrouw, ik ben er weer, maar niet alleen!". Een voor een kwamen ze nu binnen, gewapende Nederlandse S.S.ers, N.S.K.K.ers en hun slachtoffers. De gevangenen moesten in de voorkamer tegen de wand gaan zitten en hier werden ze bij het licht van enkele zaklantaarns verhoord. Daarna werden ze afgevoerd. Ook pappa! Toen het gezin de volgende morgen in de voorkamer kwam, zaten er allemaal verhoginkjes in het vloerkleed. Zittend op het zeil langs de rand hadden de gearresteerden allerlei belastende zaken als persoonsbewijzen en foto's hieronder weggestopt.

Nijen Twilhaar werd samen met de anderen opgesloten in het huis van de gearresteerde Coevorder verzetsman Mantel. Er werden allerlei beschuldigingen tegen hem ingebracht. Hij ontkende alles, maar het zag er niet best voor hem uit. Toen nam een officier, die hij wel kende van zijn bemiddelende bezoeken, hem apart. De Duitser, die terdege besefte, dat de oorlog verloren was, zei tegen hem:"Ik zal een goed woordje voor u doen, als u belooft mij na de oorlog ook te helpen!". Nijen Twilhaar beloofde dit en inderdaad, hij werd kort hierop vrijgelaten. Na de bevrijding beriep de inmiddels gevangen genomen officier zich inderdaad op de "Pfarrer" van Dalerpeel. De met het onderzoek belaste vertegenwoordigers van het Militair Gezag bezochten daarop met hun gevangene de pastorie en in de voorkamer deed Nijen Twilhaar op zijn beurt een goed woordje.

Evenals voor zoveel Dalerpelers was de bevrijding voor Henk een feest, dat zich voornamelijk in Coevorden afspeelde. Nog weet hij zich te herinneren, hoe de eerste chocola smaakte, die hij van de Canadezen kreeg. En het vlees uit een blikje dat ze hem ook gaven. Terugkijkend op de oorlog zegt hij nu:"Die tijd heeft vorm aan mijn leven gegeven en mijn levenshouding bepaald. De oorlog heeft me het besef gegeven, dat 't iets geweldigs is vrij te zijn!"


Last update: 13-01-2007 by www.herdenking.nl